In het huisje, waar zij al meer dan zestig jaar woont, zit de oude vrouw in haar stoel en kijkt, via de kleine raampjes, naar buiten over het vlakke land. Aan de horizon is de kerktoren van het dorpje te zien. Het dorpje waar zij vroeger altijd boodschappen deed. Dit deed zij op de fiets, maar die staat nu al jaren ongebruikt in de schuur. Net zo lang als dat zij haar twee kinderen niet heeft gezien. De kleinkinderen en achterkleinkinderen kennen waarschijnlijk het bestaan van deze oma niet. Niet omdat er een ruzie is, maar ze zijn naar elders vertrokken. Ver weg en hebben geen tijd om haar met een bezoek te vereren. Telefoon heeft ze niet, dus op die manier kan zij ook geen contact met haar kinderen hebben. Eigenlijk gewoon uit elkaar geleefd, zonder slechte bijbedoelingen.

Haar ogen dwalen door de kamer. Op dit moment is het behaaglijk warm, want zij heeft net een blok hout in de kachel gedaan. In de rest van het huisje komt zij niet graag. Het is daar onaangenaam koud en de keuken, alsmede de slaapkamer, herinneren haar aan lang vervlogen tijden toen er nog leven in het huisje was.

Naast haar stoel, op een tafeltje staat een oude radio. Eentje van voor de oorlog, “dat waren de beste om radio Veronica mee te ontvangen,” had haar man gezegd. Wel geen fm ontvangst, maar wat had je nou aan Hilversum?  Zo ver van de kust verwijderd, moest er ook een goede antenne aan zitten. Haar man had vanaf het dak, naar een paal in de achtertuin, een draad opgehangen. Maar die is, jaren na zijn overlijden, afgebroken en nooit meer vernieuwd.

Nog maar een klein stukje draad is op de radio aangesloten.

Haar man moest niets van televisie hebben. Zijn lust en leven was de natuur en als boswachter was hij vaker in de bossen te vinden dan bij haar in huis.

In nostalgische gedachten verzonken schakelt zij de oude radio in. De lampjes achter de afstemschaal beginnen te branden en het is even wachten voordat er geluid uit de luidsprekers komt. Veel gekraak en bijna geen zenders te horen. Alleen een paar zwakke Duitstalige zenders, aan welke taal zij ook al geen goede herinneringen heeft overgehouden, nadat haar vader in de oorlog door de Duitsers werd opgepakt en zij nooit meer iets van hem heeft vernomen.

Zij stemt de radio af op de golflengte waar vroeger Radio Veronica heeft gezeten. Daar is nu alleen geruis en gekraak te horen.

Haar ogen dwalen weer naar buiten en kijken door de raampjes, die in de hoeken versierd zijn met ijsbloemen. Het is buiten koud en het ziet er naar uit dat het, zo vlak voor de kerst, in de nacht ontzettend koud zal worden.

Ze denkt er over na of zij het laatste blok hout nu in de kachel zal doen of vanavond als het echt koud begint te worden. Om de één of andere reden besluit ze het blok er nu maar in te doen. In de kachel begint het bijna gedoofde vuur weer te branden en de oude vrouw voelt de behaaglijke warmte als de zomerzon op haar toekomen. Zij leunt langzaam haar hoofd achterover tegen een kussentje.

Plotseling stopt het geruis in de radio en kort daarop klinkt er muziek uit de radio, het liedje “Twee reebruine ogen, die keken de jager aan”, gevolgd door een stem die in het dialect zegt: “Dit plaatje geet in´t rond veur alle zeeke, oale en eensame mens´n. Lúster moar met!”

Voor de oude vrouw was dit een liedje dat ze vroeger vaak op de radio had gehoord, toen haar man er nog was. Haar man zong dit liedje dan mee en keek daarbij naar zijn vrouw, op een wijze van: “Ik bedoel jou, met je reebruine ogen!” Het gaf haar altijd een gelukkig gevoel, omdat haar man iemand was die maar weinig woorden gebruikte om iets te vertellen. In zo´n liedje kon hij zich dan uiten.

Weemoedig sluit ze haar oude reebruine ogen. Niets kan haar haar op dit moment nog storen. De kachel voelt warm en de muziek overheerst alles wat voor haar op dit moment belangrijk is. Daarna begint voor haar de reis. De reis op weg naar haar jager, die haar lang geleden was voorgegaan, met op haar gezicht een tevreden glimlach, als een laatste groet aan haar kinderen en kleinkinderen.……