Deel 9.

Cocaïneonderzoeken….

Op het werk gaat alles gewoon door met onze werkzaamheden. Er komen steeds meer cocaïnezaken bij. Een heel ander volk waar je mee van doen hebt. Veel mensen uit de horeca of mensen die het financieel goed kunnen doen en regelmatig in de binnenstad verblijven. Ik vraag ik me wel eens af wanneer we weer iemand pakken met een portie cocaïne. “Wat voor schade doet die persoon de gemeenschap aan door af en toe een lijntje coke te snuiven. Ze stelen of roven niet. Verdienen hun geld zelf. Toch zijn er bij die door de coke totaal ontwricht raken en alleen kunnen functioneren wanneer ze een snuif coke gehad hebben. Voor hun gevoel kunnen ze beter praten, voelen zich dan superieur boven anderen en ook een argument is “seks”. Een keer hadden wij een man met zijn vriendin bij hun terugkomst door een arrestatieteam aan laten houden. Auto aan de kant, hij en zij een zak over het hoofd, een totaal overstuur klein kind achter in de auto. Ik zag dat allemaal aan en vroeg mij af of deze aanhouding wel in verhouding stond met de inbeslagname van ongeveer 20 gram coke.

Zij was een bekende in de binnenstad, die bij elk feestje wel aanwezig was en ze verklaarde ook dat zij coke nodig had om zich in de stad aangepast te voelen. Op die feestjes ging de spiegel met daarop cocaïne in het rond, zoals bij gewoon burgerlijke mensen, zoals wij politiemensen, een blokje kaas of een stukje worst.

Wij hoorden haar met z´n tweeën. Bennie die ook bij het verhoor was, moest even weg. Zij kijkt me aan en zegt: “Heb je wel eens coke gebruikt?” Ik zeg nee, maar zeg ook niet dat ik een keer speed uitgeprobeerd heb. “Moet je eens doen, vlak voor het vrijen, je kunt dan heerlijk lang neuken en het voelt zo intens….” Ik moet bekennen dat zij volgens mij kon zien dat ik bloosde en ik er moeite mee had om haar daarbij in de ogen te kijken. Ik kon mij er wel een voorstelling van maken hoe dat moest zijn. Dat was weer een wereldje, waar ik niets van wist en toch wel nieuwsgierig naar was.…Gelukkig kwam Bennie weer binnen en ging het verhoor weer normaal verder.

Problemen thuis……
Het is in het voorjaar van het jaar 1988, wanneer ik op een dag thuis kom en Miranda tegen mij zegt: “Henk, moet je eens voelen, zit daar iets? Daarbij drukte ze met een paar vingers op een bepaalde plaats aan de linkerzijde van haar linker borst. Ik liet ook mijn vingers op die plek draaiende bewegingen maken en inderdaad voelde ik daar een heel klein knobbeltje. “Het zal wel niets zijn, maar ik zou toch maar naar de huisarts gaan”, zeg ik geruststellend.
De volgende dag gaat Miranda naar de huisarts en die zegt bijna hetzelfde als ik: “Het zal wel niets zijn, maar ik stuur je voor de zekerheid toch even door naar het ziekenhuis”.

In het ziekenhuis wordt een afspraak gemaakt om operatief het knobbeltje te verwijderen, die te bekijken en afhankelijk van het resultaat zullen dan, indien nodig verdere maatregelen genomen worden.

Kort daarop wordt zij opgenomen in het ziekenhuis. Aan het einde van de middag wanneer de operatie achter de rug is, besluit ik naar het ziekenhuis te gaan. Toch met een raar gevoel. Zal er niets ernstigs uit voortkomen? Ik voel me zenuwachtig. Wanneer ik het ziekenhuis wil binnen gaan, komen Otto en Bennie net naar buiten. Ze waren ook benieuwd en voordat ze naar huis gingen zijn ze bij Miranda langs gegaan. Bennie zegt: “Het is positief”. Ik bedank hem en loop snel door. Met een blij gevoel “Positief” klinkt positief……
Maar wanneer ik de kamer op kom waar Miranda ligt, zie ik geen blij gezicht. “Wat is er?” vraag ik haar. “Het is niet goed” zegt ze. “Hoe kan dat nou. Bennie zei dat het positief was!” Dan kom ik er achter dat “positief” in dit geval betekent dat de uitslag positief gereageerd heeft op de aanwezigheid van een kwaadaardige tumor. Ik ga bijna door de grond en weet even niet wat ik zeggen moet. “Wat gaan ze doen?” vraag ik. “Ze willen een borstbesparende operatie doen en de lymfklieren bekijken of die aangetast zijn. Zo niet, dan zijn we er op tijd bij geweest en dan krijg ik bestralingen.
Het bleek achteraf ook alleen maar dit plekje te zijn geen uitzaaiingen naar de lymfklieren.
Daarna volgt de bestraling. Zes weken lang intensieve bestralingen en herstellen van de operatie in het ziekenhuis. Op het laatst kan ze niet veel meer. Maar we mogen blij zijn dat het zo afgelopen is. Alles gaat nu voor mij langzamer draaien. Ineens zijn er de kinderen weer, die zich ook zorgen maken om hun moeder. Eten koken, de was doen. Alvast spullen inpakken, want we gaan verhuizen naar ons eerste eigen huis in de wijk de Helmerhoek. De verhuizing moeten wij helaas zonder Marie doen. Die is op dat moment in het ziekenhuis.
Dat is natuurlijk niet zo belangrijk, maar wat wel jammer is dat zij, die zo enthousiast was over haar huisje, niet mee kan bepalen hoe alles ingericht moet worden. Hulp heb ik genoeg. De kinderen werken mee, en vrienden en kennissen genoeg die af en toe een hand uitsteken.

Uiteindelijk komt Miranda weer thuis en bewondert haar huis vol emotie. Dan pas beseft ze dat ze juist dat moment graag had meegemaakt, de inrichting van het huis.
Bij haar lijkt alles er goed uit te zien. Geen uitzaaiingen. Wel is de huid van haar linker borst hevig rood en ontstoken. Als een soort ernstige zonnebrand. Dagelijks moet ze er talkpoeder op doen.
We pakken het leven weer op, maar Miranda is ernstiger geworden. Voor die tijd hadden wij een onbevangen leven, met veel vrienden en in het bijzonder Miranda was voordien enorm levenslustig, alsof zij de laatste jaren pas geleerd had wat het leven is….
Van veel vrienden moet zij ineens niets meer hebben. Ze gaat als het ware terug naar de basis, zoals ze begonnen is op het moment dat wij in Enschede kwamen wonen.
Werken kan ze nog niet en ze moet voorzichtig zijn met de linkerarm waar de lymfklieren zijn verwijderd.
Ik ga weer aan mijn werk, maar bel wat vaker naar huis om te vragen hoe het is. Het blijkt dat ze toch veel bezoek krijgt van vrouwen uit onze kerk, van haar zussen en mijn moeder.

Het is dan oktober 1988, de maand waarin ik veertig wordt, wanneer er een brief komt van de gemeentepolitie Enschede. Eén A4tje. Ik ben benieuwd wat er in staat. Als ik de brief gelezen heb, geloof ik mijn ogen niet en lees de brief nog eens aandachtig door:

“Heer Alberts.
Nu u deze maand uw 40e levensjaar bereikt hebt, zijn wij, gezien uw leeftijd,
genoodzaakt om uw dienstverband bij de Arrestatie eenheid te beëindigen.
Wij danken u voor uw bewezen diensten.

Hoogachtend………”

Ik denk: “Gaat dat zo? Meer niet? Met een A4 tje?”. Ik ben boos en teleurgesteld tegelijk.
Heb ik daarvoor de laatste jaren in het voetbalseizoen bijna alle zondagen opgeofferd? Ik verdiende er niets mee. Zelfs een declaratie voor het werken buiten de stad konden wij niet meer maken, omdat er vanuit Enschede gezorgd werd voor eten en drinken. Dat was goedkoper dan iedereen een declaratie uit te betalen. Maar dat maakte mij niet uit. Het ging om mijn werk, Mijn maten, veel meegemaakt. Krakers rellen, alsmede “Doe Wat” in Hengelo, “pleurisdag” in Nijmegen, NATO - manoeuvres, waarbij men angst had dat sabotage plaats zou vinden. En dat boven op mijn werk bij de DRUWA. Dat men jongere mensen de kans wil geven en dat ik daar plaats voor moet maken, oké, maar op deze wijze afdoen…

Het merkwaardige in mijn geheugen is dat ik vanaf deze periode maar van weinig zaken de exacte toedracht weet. Ik ben met mijn gedachten meer thuis bij Miranda en de kinderen. In 1988 gaan we, voor de verandering eens niet op vakantie.

In het voorjaar van het jaar 1989, gaat Miranda weer aan het werk en langzaam begint alles in ons gezinnetje en op ons werk weer te draaien. We gaan die zomer weer op vakantie. Dit keer naar Salou in Spanje op de camping.

Het ging bijna mis…… 
Op een avond in het najaar van 1989 ben ik samen met collega Tom Bredevoort in de binnenstad van Enschede en staan eigenlijk op het punt om maar naar huis te gaan, wanneer we een ons bekende collega, Gerrit Berendsen, ontmoeten. We weten dat deze collega regelmatig in de binnenstad te vinden is. Niet voor het werk, maar puur voor zichzelf.
“Zullen we aan de Kuipersdijk nog een afzakkertje nemen? Daar is een gezellige kroeg met twee oude wijven achter de bar” zegt Gerrit. Wij vragen waar hij dat aan de Kuipersdijk wil doen, want wij kennen daar geen kroeg. “Oh jongens, kennen jullie die kroeg niet? Het is er altijd druk en gezellig!” We zijn nieuwsgierig en rijden achter Gerrit aan en stoppen aan de Kuipersdijk, voor een oud wit pand en je moet 3 keer kijken om te herkennen dat daarin een bar is gevestigd. We stappen uit en volgen Gerrit. Deze kroeg is een lange smalle nis en aan de linker zijde begint direct de bar. Gerrit neemt direct plaats op een barkruk rechts met daarvoor een klein tafeltje. Ik hoor de barjuffrouw roepen: “Hoi Gerrit!” Ik kijk in de richting van die juffrouw en ik schrik me een hoedje. Daar staat de mij bekende Helene Mus achter de bar. Ik heb haar in verhoor gehad met een grote heroïnezaak, alleen konden we het haar niet helemaal klaar maken. “Wat doe jij hier!” vraagt ze en kijkt daarbij zo onvriendelijk, dat je het liefst direct weg zou willen lopen. “Een biertje drinken. Dat krijg ik toch wel van jou?” Na wat héén en weer gemopper en wat discussies over hoe wij ons werk in die zaak gedaan hadden, lijkt het alsof Helene minder boos is geworden. “Ken je haar niet?” Daarbij wijst ze op haar collega die tevens achter de bar dienst doet. Ik ken haar niet, maar wanneer ze de achternaam noemt, weet ik het meteen. Zij is de vrouw van een collega van de verdovende middelen, die er in verband met hasjhandel is uitgevlogen. Dat was voor mijn tijd. Ik vind het toch een vreemde zaak. Dat die twee met elkaar daar achter de bar samenwerken.
Tom en ik drinken daar nog een paar biertjes en gaan dan richting huis. Ik moet Tom naar huis brengen, want ik heb piket. Onderweg praten we nog over die twee vrouwen. Tom heeft die zaak niet gedraaid, maar ik vraag me af waarom die twee elkaar kennen en samen werken…

Dan rijden we ter hoogte van de nachtclub de Paradijsvogel. We zien half op de stoep een taxi staan. De mobilofoon klinkt luid door de buurt, omdat beide portieren van de auto open staan.
“Wat is daar aan de hand?” vraag ik Tom. “Ik weet het niet! Dan gaan we toch even kijken?” We stappen uit onze auto, die we aan de overkant van de straat geparkeerd hebben en lopen naar de voordeur van de nachtclub. Na aangebeld te hebben wordt de deur door de ons bekende eigenaar geopend. “We zijn gesloten!” zegt de eigenaar en wil de deur weer dicht doen. “Is de taxichauffeur bij jullie?” vragen wij, “Gaat je niets aan!” Tom wordt zichtbaar boos en zegt: “We gaan nu naar binnen en willen met de taxichauffeur praten!” We kunnen namelijk door de deur naar binnen kijken en er zit niemand aan de bar. Tom wil na zijn uitspraak aanstalten maken om naar binnen te gaan. Ik houd Tom tegen en zeg: “Kom op we maken geen trammelant!” Normaal zou ik er geen problemen mee hebben om in dit geval even naar binnen te gaan om te kijken waar de taxichauffeur is, maar omdat wij eigenlijk al een paar biertjes teveel op hebben, ben ik op dat moment bang dat wij de gevolgen hiervan niet kunnen overzien.

We besluiten in onze auto plaats te nemen en te wachten totdat de taxichauffeur eindelijk naar buiten komt en vertrekt. We wachten minstens een half uur. Telkens gaat de voordeur van de bar even open en kijkt iemand in onze richting, kennelijk afwachtend tot wij zullen vertrekken. Uiteindelijk komt de taxichauffeur naar buiten en rijdt met zijn auto weg.

Ik zet Tom thuis af en ik ga ook naar huis. Het is al in de kleine uurtjes wanneer Tom die nacht door de chef van de surveillancedienst thuis gebeld, met de vraag of hij moeilijkheden bij de paradijsvogel heeft gehad. “Kennelijk reageert Tom daar niet naar behoren op en de chef zegt dat hij een en ander voor nader onderzoek verder zal leiden.

De volgende morgen zegt Tom tegen mij dat wij moeilijkheden kunnen verwachten, gezien het telefoontje dat hij heeft gehad. Ik maak dan direct met Tom de volgende afspraak. We hebben alleen in de kroeg aan de Kuipersdijk een paar biertjes gedronken en verder nergens. Het zou kunnen zijn dat de superieuren weten willen waar we allemaal geweest zijn en hoeveel wij gedronken hebben. We hebben op de Kuipersdijk vier glaasjes bier gedronken en de twee vrouwen achter de bar zullen daarover ook verklaren als ze een onderzoek doen. In de andere cafés in de binnenstad hebben wij niets gedronken zullen wij volhouden.

Tom twijfelt, of wij daar mee door zullen komen. Ik zeg tegen hem dat wanneer wij de waarheid zullen vertellen wij onze “petten” wel aan de kapstok kunnen hangen. Het is zaak dat wij ons zo goed moegelijk verdedigen. “Vier glazen bier, meer hebben wij niet gehad” prent ik Tom in. “Oké, als jij het zegt” zegt Tom.

Een uurtje later krijgt Tom de opdracht om bij onze chef Hendrik Bosman te komen.
“Tom, ga zitten. Ik zal maar met de deur in huis vallen”….Voordat chef Bosman verder kan praten zegt Tom:“Ik weet wat u vragen wilt. We hebben maar vier biertjes gedronken aan de Kuipersdijk. Als u dat niet gelooft, vraag het maar aan collega Gerrit Berendsen, die was daar ook.

Chef Bosman, die op een heel andere manier had willen beginnen met het verhoor, springt na deze woorden bijna uit zijn vel en schreeuwt: “Er uit! Einde van je loopbaan bij de Druwa en Henk kan het ook vergeten! Roep hem maar!” Verbouwereerd loopt Tom naar de deur en zonder nog één woord te zeggen verlaat hij de kamer. In gedachten is hij al bezig zijn bureau te ontruimen…..Tom komt onze afdeling binnen, kijkt mij aan en zegt: “We vliegen er allebei uit!” “Heb je gezegd dat we maar vier biertjes gedronken hebben?” vraag ik. “Ja en verder is het gesprek ook niet gekomen” antwoordt Tom.

Ik loop naar de kamer van chef Bosman, met in gedachten al de aanzegging te krijgen dat het afgelopen is, maar tevens voel ik me gesterkt dat Tom het maar over vier biertjes gehad heeft. Als ik binnen kom zegt chef Bosman: “Ga zitten. Ik wil van jou eerlijke antwoorden. Ik laat niet met me sollen. Ik ben jullie chef en ik heb er recht op om te weten wat er gisteravond gebeurd is. Ik vertel Bosman over wat wij gisteravond mee hebben gemaakt en dat wij ons zorgen maakten over de taxichauffeur die langer dan een half uur binnen is geweest, terwijl de portieren van de taxi open stonden en alle papieren en de rest van de inhoud zo voor het grijpen lag en dat wij niemand aan de bar zagen zitten. Wij hebben bewust de zaak niet willen laten escaleren door rustig af te wachten.

“Maar de eigenaar zegt dat jullie laveloos waren. Hoeveel hebben jullie gedronken?” “We gingen op aanraden van collega Berendsen naar een kroeg aan de Kuipersdijk. Het zou er gezellig zijn. Zowel Tom als ik kenden die kroeg niet. We zijn daar naar binnen gegaan en wie denkt u die daar achter de bar werkten? Helene van onze Thailand drugszaak en de vrouw van de in verband met hasjhandel ontslagen collega. Als u aan hen gaat vragen hoeveel wij gedronken hebben, zullen zij zeggen dat wij laveloos de deur uit gingen. Geen wonder want Helene haat ons. Ik heb nog een tijdje met haar gesproken en dacht dat het iets bij trok, maar zij is eigenlijk door ons geruïneerd. En wat betreft de nachtclubhouder. Iemand met straflijsten deel 1 en deel 2, gelooft u die? Er is daar een chauffeur die achteraf gezien waarschijnlijk met een hoertje naar boven is geweest, wat wij op dat moment niet weten en als goed politiemensen hebben we afgewacht hoe een en ander verder zou verlopen. We zijn niet binnen geweest en hebben dat ook niet afgedwongen. Dus aan u is de keuze, gelooft u hem of ons?”

Bosman denkt na en wordt ineens een stuk rustiger. Om hem nog rustiger te laten worden zeg ik: “Als u het zeker weten wilt, laat de eigenaar dan als getuige tegen ons verklaren, als hij denkt dat wij hem bedreigd hebben of zo”.
Dan zegt Bosman: “Nee, het is wel goed, maar jongens denk er aan, het is gevaarlijk. Pas op, je bent zo voor een klein akkefietje aan de beurt!”

Dit laatste besefte ik ineens heel duidelijk en nadien ben ik en waarschijnlijk ook de anderen een stuk voorzichtiger geworden.

Coördinatie koffieshops….
Dan zegt Bosman tegen mij: “Nu je hier toch bent, zou jij er een extra taak bij willen nemen? We hebben iemand nodig die als coördinator controleur koffieshops op wil treden.”
Ik vraag Bosman wat die functie inhoud. Het blijkt dat Enschede, dat opgedeeld is in vijf wijkbureaus, koffieshops wil gaan controleren, maar pas nadat aan de eigenaren strikte regels opgesteld zijn, waaraan zij zich moeten houden. In elk wijkbureau worden twee collega´s aangesteld die deze controles gaan doen en ik ben ervoor om te zorgen dat de controles in elk wijkbureau op gelijke wijze uitgevoerd worden en dat ik, bij eventuele overtredingen, of geconstateerde onregelmatigheden, hiervan een rapport op zal maken dat via hiërarchische weg verder geleid zal worden tot aan eventueel de officier van justitie en Burgemeester, die dan of strafrechtelijke - en of administratieve maatregelen op kunnen leggen. Bijvoorbeeld door het sluiten van een koffieshop.
In Enschede zijn op dat moment een stuk of veertien koffieshops. Waarvan de meeste vallen onder het bureau binnenstad en bureau oost.
Ik deel Bosman mede dat ik dat wel wil en zie als een extra uitdaging. Alleen is mijn wens om een computer te hebben om alle gegevens in op te slaan. De kaartenbak, die door verandering in wetgeving eigenlijk illegaal is geworden houd ik nog steeds bij, temeer omdat ik en ook de anderen op de afdeling het er niet mee eens zijn dat wij ineens geen informatie meer in mogen winnen en al helemaal niet van zogenaamde informanten. Dit wordt allemaal ondergebracht bij de afdeling CID. Omdat wij, behalve de kaartenbak, ook een soort “logboek” bijhouden waarin wij onze verrichtingen schrijven en de eventuele resultaten, alsmede bekomen informatie, komt er regelmatig iemand van de CID voorbij en haalt dit logboek op om door te nemen.

Ik kan me niet voorstellen wat wij zouden moeten doen en wat voor soort rechercheurs wij op de afdeling verdovende middelen zouden zijn, wanneer wij niet meer aan informatie- inwinning mogen doen. Natuurlijk is er in het verleden veel fout gegaan, maar dat heeft volgens mij meer met de kwaliteiten van de rechercheurs te maken om dergelijke zaken goed af te handelen. Zo af en toe in een discussie met leden van de CID, krijg ik te horen dat ik mijn informant, wanneer het er op aan komt, niet kan beschermen en de mogelijkheid bestaat dat ik de naam van de informant ter zitting moet gaan noemen. Ik zeg dan dat ik dat nooit zal doen. “Dan wordt je gegijzeld” of in beter Nederlands, “ze sluiten je in”. Ik kan niet geloven dat wanneer je gewoon eerlijk met je werk bezig bent en beloften nakomt, ter bescherming van personen dat ze zoiets kunnen doen, maar mijn antwoord is: ”Dan sluiten ze mij maar in!”
Ik ben er van overtuigd wanneer mij dat zou overkomen, ik mij ook inderdaad in zou laten sluiten. Als dat zou gebeuren zie ik mij in een slachtofferrol en niet als iemand die iets gedaan heeft wat niet mag.
Ook op de opmerkingen dat de zaak dan ter zitting nietig zal worden verklaard, heb ik een antwoord: “Dan doen ze dat maar. Ik heb mijn best gedaan en als de rechters de zaak nietig verklaren is dat hun verantwoording. Ik zou het onjuist vinden en een rechter zou dat ook moeten vinden. Op z´n Duits gezegd: “Gesetz ist Gesetz en Befehl ist befehl”. Ik heb hier te veel over gelezen in boeken over de tweede wereldoorlog en veel mensen probeerden zich nadien hierachter te verschuilen. Met dit stukje verandering bij de politie ben ik het dus volstrekt oneens. Ik vind dat elke politieman zijn informanten mag hebben. Een wijkagent, zal bij zijn wijkbewoners ook vertrouwen opgebouwd hebben, zodat sommigen van hen ook wel eens iets aan de wijkagent toevertrouwen zonder dat zij willen dat hun namen genoemd worden.

Inderdaad, we krijgen een computer op de afdeling en kan ik mijn zaken met betrekking tot de koffieshops verwerken. Ik maak kennis met de collega´s in de verschillende wijkbureaus die zich ook met de controlewerkzaamheden bezig gaan houden. De richtlijnen waaraan de koffieshophouders zich te houden hebben worden doorgenomen.

De belangrijkste regels zijn onder andere; geen harddrugs en geen grote hoeveelheden verkopen. Maximaal 30 gram per klant. Niet verkopen aan jeugdigen onder 18 jaar. Niet verkopen aan mensen die niet in Nederland wonen. Geen grote hoeveelheden aanwezig hebben.

Dat deze laatste regel in tegenspraak is met de praktijk is iedereen wel bekend, maar niemand heeft hier een oplossing voor. Bijvoorbeeld wordt er 100 gram hasjiesj aangevoerd en dit vervoer onderschept, wordt proces-verbaal opgemaakt. Is de 100 gram in de shop aangekomen, wordt bij controle niet opgetreden want de hoeveelheid wordt gedoogd.

Het is beter om hierover niet verder na te denken, want dan voel je jezelf als politieman ongeloofwaardig. Óf je verbiedt iets óf het is toegestaan. Daartussen kan eigenlijk niets zitten. Ook blijft aan mij hangen om deze regels in een programma van TV - Oost uit te komen leggen.

Ik moet zeggen dat de samenwerking met genoemde collega´s uit de wijkbureaus prima is. De controles worden regelmatig gehouden en rapportages worden gemaakt. Ook de koffieshophouders zijn zich ervan bewust dat zij alleen bestaansrecht hebben, wanneer zij zich aan genoemde regels houden.
Natuurlijk hebben we door deze controles ook een prima entree in de koffieshops en hebben we ook een beter inzicht, wat er zich in die koffieshops afpeelt.

De zaken gaan gewoon door……
Kleine en grotere zaken volgen elkaar op. Ik ben druk met de administratie met betrekking tot de koffieshops en ik moet zeggen dat er maar weinig onregelmatigheden gebeuren. Kennelijk zijn de koffieshopexploitanten zich ervan bewust, dat het aan henzelf ligt of zij moeilijkheden krijgen. Natuurlijk weten we wel dat buiten deze koffieshops om ook drugszaken gedaan worden die veel groter zijn. Een kilo hasj of marihuana inkopen is goedkoper dan steeds 300 tot 400 gram kopen. En als er al eens een partij goedkoop aangeboden wordt, moet je er natuurlijk als de kippen bij zijn.
Het beleid dat gevoerd wordt plaatst bij veel collega´s vraagtekens. Bij de chef van het bureau Binnenstad, is ook geen begrip te vinden voor deze situatie, alhoewel hij zich ook aan dit beleid moet houden, kwam het toch één keer tot een aanvaring.
Op een avond word ik gebeld, of ik naar de koffieshop Marmara wil komen. Bureau binnenstad is daar bezig om drugs in beslag te nemen. Ik stap in de auto en ga daar zo snel mogelijk naar toe. Ik zie dat collega´s achter de balie de hasj voorraad op de bar hebben gezet en aan het afwegen zijn. De chef binnenstad, komt op mij af en zegt: “We zijn alvast maar begonnen. Je kunt daarna de zaak zo overnemen!” Ik zeg: “Om wat voor zaak gaat het?” Hij kijkt mij aan met vragende ogen, alsof hij denkt dat ik mijn verstand verloren heb en antwoordt: “Dat zie je toch? Ze hebben veel te veel drugs in de zaak!” Ik overzie de hoeveelheid en zeg dat dit wel meevalt en dat de voorraad die ik zie normaal gebruikelijk is in een koffieshop. “Dan heb je al die tijd je werk niet goed gedaan! Je kunt nu aan het werk om een en ander recht te zetten!” krijg ik als antwoord. De twee collega´s, die normaal de controles doen, kijken me aan, maar bemoeien zich niet met het gesprek. Ik wil verder niet in discussie gaan en zeg dan alleen: “Oké, ik begrijp dat je niet op de hoogte bent met de problematiek waar ik mee te maken heb”. Verder geef ik geen antwoord. De hasj wordt ingepakt en in beslag genomen. De koffieshop blijft gewoon open omdat sluiting een zaak van de burgemeester is.

De volgende dag ga ik weer naar de chef van het bureau Binnenstad en vraag hem wat de aanleiding was om die controle uit te voeren. “Gewoon een controle in mijn wijk, dat mogen wij als politie toch doen?” “Hebben de twee aangewezen collega´s dat gedaan?” vraag ik. “Nee, ik heb besloten om daar een controle te houden zoals het hoort! Het is mijn verantwoording!” antwoordt de chef. “Dan heb ik niets meer te zeggen”, antwoord ik en loop weer richting mijn kamer.

Onderweg bedenk ik dan dat het systeem dat gemaakt is om de koffieshops te controleren niet werkt en mijn functie alleen kan bestaan, als iedereen zich aan de regels houdt. Natuurlijk is de chef bevoegd om controles te doen. Daarbij begrijpt hij niet dat hij de twee collega´s van zijn afdeling, die de controles doen en mij, zachtjes uitgedrukt, voor aap zet.

Er lag in totaal ongeveer driehonderd gram hasjiesj in de koffieshop, terwijl formeel er maar dertig gram mag liggen. Dat is formeel. Gemiddeld hebben de koffieshops 2 soorten marihuana en ongeveer acht soorten hasjiesj. Dat zijn dus tien verschillende soorten van ieder soort drie gram aanwezig hebben is dan al dertig gram, dus van elk soort één zakje voorradig. Wanneer dit verkocht is, is dit soort dan ook al weer uitverkocht. Een niet werkbare situatie.

Ik heb dit voordien vertaald in een redelijke hoeveelheid. Hoeveel dat is? In ieder geval geen kilo´s, of grote plakken, maar de porties in kleine zakjes, gereed om door de consument gekocht te worden. Maar daarover in discussie gaan is met bepaalde mensen niet mogelijk. De zogenaamde zwart/wit denkers binnen de politie. Natuurlijk moet je die mensen ook hebben. Bijvoorbeeld bij de motorbrigade, die zonder blikken of blozen iemand een bekeuring kunnen geven en niets door de vingers zien. Goed is goed en fout is fout en fouten moeten bestraft worden. Ik weet dat dit moet gebeuren, maar ik ben daar absoluut ongeschikt voor. Een voorbeeld uit het verleden bij de surveillancedienst.

Ik ga terug naar het begin van de jaren zeventig wanneer we met onze brigade een zogenaamde radarcontrole houden. Een verkeersman zit in de auto en controleert de voorbij rijdende auto´s en een paar honderd meter verderop staan wij om de snelheidsduivels te laten stoppen, waarna een proces-verbaal wordt opgemaakt.

“Een rode Volvo zeventig!” klinkt het uit de portofoon. Ik geef een stopteken. In de auto zit een jonge vrouw met achter in een klein kind. “U hebt 20 kilometer te snel gereden!” “Ik moet mijn kind naar de school brengen en ben al veel te laat. Ik kom net van mijn werk. Sorry” is het antwoord van de vrouw. Ik zeg: “Oké rijdt maar door, maar niet zo snel meer. Vijftig!” “Dank u wel!” Dan komen er nog een paar auto´s. Allemaal geef ik ze een waarschuwing. Er is ook iemand van het Leger des Heils bij, in uniform. Ook die laat ik gaan.

Deze persoon kreeg van mij wel een proces-verbaal:
”U hebt zojuist te snel gereden. 65 km, terwijl 50 toegestaan is!” Ik ben nauwelijks uitgesproken of een waterval van boze woorden komt over mij heen: “Hebben jullie niets beters te doen? Ga aan het werk zoals ik dat doe. Jullie kosten mij al belastinggeld genoeg en dan ook nog bekeuren!” Ondanks zijn geschreeuw, schrijf ik rustig de informatie op die ik nodig heb om aan het bureau een proces-verbaal op te maken.

De volgende dag komt de verkeersman in de agentenwacht. “Hallo. Ik wil even de processen verbaal mede ondertekenen, als degene die de snelheid heeft geconstateerd. Ik zie de collega´s met de processen-verbaal komen en de verkeersman tekent ze allemaal. Als laatste ben ik aan de beurt en geef hem het proces-verbaal van de schreeuwer. Hij tekent dit, kijkt me aan en zegt: “Waar zijn de andere?” “Dat is alles” zeg ik nonchalant. De verkeersman wordt zichtbaar boos en zegt: “Maar ik heb aan jou minsten 5 tot 6 doorgegeven!” Ik antwoord: “Die heb ik allemaal een waarschuwing gegeven!” Hevig mopperend verlaat hij de agentenwacht en de laatste woorden die ik nog kan verstaan zijn: “Daar hoor je nog meer van. Dat laat ik niet op mij zitten!”

Ik heb gelukkig nadien niets meer van dit voorval vernomen.

Christenturken en het drugsmilieu in Enschede…
Ik heb al geschreven dat ik, nadat Miranda ziek is geworden eigenlijk niet zoveel zaken meer in mijn hoofd heb zitten. Een paar grote zaken weet ik nog. Nu eens geen Surinamers, Marokkanen of Turken, maar de z.g. Christenturken, of beter gezegd Arameers.

Onder de naam Christenturken staat de deze bevolkingsgroep het meest bekend, maar het gaat hier niet om Turken, maar om één van de oudste volken van het middenoosten de zogenaamde Arameers. De oervader van de Joden, Abraham was ook een Arameer en deze Abraham (Ibrahim) is ook vermeld in de Koran. Merkwaardig dat Moslims, Joden en Christenen elkaar door de eeuwen heen zo in de haren zitten, terwijl zij allen belijden dat Abraham de gezamenlijk voorvader is van de Joden en Moslims, terwijl dit ook door de hedendaagse Christenen beleden wordt.

Toch raakt dit volk, wonende in het grensgebied van Syrië en Turkije in het nauw. Hun taal het Aramees mag in Turkije op school niet onderwezen worden. (Het oude testament van de bijbel werd in deze taal geschreven). Ook worden zij gediscrimineerd en wordt het hen bijna onmogelijk gemaakt om een eigen zaak te beginnen. Zelfs hun Aramese familienamen worden in het Turkse gebied omgezet in Turkse namen. Daarom is aan de namen bijna niet meer te zien of je van doen hebt met een Turk of met een Arameer. Alleen aan de voornamen is te zien dat deze vaak “on-Turks” zijn. Ook zijn er maar weinig die de Turkse taal goed machtig zijn. De jongeren spreken meestal een gebrekkig Turks omdat zij omgaan met jeugdige Turken.

Deze mensen kunnen zich zeer goed aanpassen aan de heersende omstandigheden, dus daar ligt het niet aan. Er komen velen naar onder andere Nederland en al snel worden kerken gebouwd. Het is een hechte gemeenschap. Gastvrij openhartig en passen zich snel aan de Nederlanders aan. Toch blijft het een hechte groep en vermenging met het Nederlandse volk door huwelijken is niet aan de orde. Het blijft een trots volk, vooral op hun verleden als de oerbewoners van het oude Mesopotamie. Velen beginnen kleine horecagelegenheden. Onder andere shoarmazaken. Deze worden vaak overgenomen van Turken, die er geen heil meer in zien.

Via een informant krijgen we een tip, dat er in het Aramees jongerencentrum Mesopotamie in Enschede, welke is gevestigd in een oud fabriekspand aan de Emmaweg te Enschede, heroïne zou worden verkocht. We krijgen er ook een naam bij: Ibo Altindag.

Ibo is een jonge Arameer, woont samen met een Nederlandse jonge vrouw en heeft kinderen bij haar.
We krijgen het voor elkaar om de telefoon af te mogen luisteren, waarbij het volgende probleem ontstaat. Hoe komen we aan een tolk, die wij kunnen vertrouwen. Het wereldje is zo klein, dat iedereen, iedereen kent en is zo gesloten dat wij er nooit achter zullen komen, wanneer misbruik van de door ons bekomen informatie wordt gemaakt. Uiteindelijk krijgen we een tolk, die al jaren bij de vreemdelingenpolitie wordt ingezet. Het is een jonge vrouw, die helemaal “verwesterd” is.

De gesprekken in het Aramees, tussen Ibo en zijn vrienden leveren niets op. Althans gaan niet over verdovende middelen. Zo af en toe komt er een gesprek dat wel degelijk duidt op heroïnehandel, gepleegd door Ibo.

Op een dag belt een vrouw in de Duitse taal en vraagt naar Ibo. In half Nederlands en Duits, want Ibo is de Duitse taal niet zo machtig. Het gesprek gaat over het feit dat de vrouw niet meer met Ibo naar bed wil. Ibo: “Waarom niet? Is je vriend jaloers? Hij profiteert toch ook van jou?” De vrouw antwoordt: “Nee, dat is het niet, maar eh….jij gebruikt kruiden en dat ruikt bij mij zo raar. Daar kunnen wij Duitsers niet tegen”. Ibo beledigd: “Heb ik van mijn vriendin nog nooit gehoord dat het door mij, bij haar vreemd ruikt”. De vrouw: “Ja, nou bij mij wel!” Ibo: “Hoe wil je het spul dan krijgen? Ga je ervoor betalen?” De vrouw bevestigd dit. Ibo: “Maar denk er aan, je krijgt niets voor niets. Hoef je niet op te rekenen!”

Voor ons is het nu wel duidelijk dat hij dealt en hoogstwaarschijnlijk in heroïne. Tevens heeft hij Duitse klanten en dan zullen het er beslist meer zijn dan alleen die vrouw met haar vriend. Een ander sterk punt is dat hij voor heroïne seks met die vrouw heeft. Kennelijk heeft hij zoveel dat hij het zich kan permitteren om heroïne zonder te betalen te verstrekken.

We kunnen geen zicht maken op de toegangsdeur van dit centrum, omdat deze op de binnenplaats van het fabrieksterrein is. Wel kunnen we de toegangsweg in de gaten houden of laten houden en dan nemen we aan dat de mensen die de hoofdpoort naar binnen gaan, naar dit jeugdcentrum gaan, omdat er in de fabriek geen andere activiteiten zijn.

Door observaties komen we er achter dat dagelijks meerdere ons bekende heroïnegebruikers in het centrum komen en kort daarop weer vertrekken. We analyseren wat de drukste dag is en dan zullen we een actie houden, soortgelijk aan die toen wij het hashdealstertje oppakten. Dus klanten afvangen, verhoren en nadien tevens de door kentekens verkregen gebruikers als getuige te horen.

De actie verloopt goed en Ibo Altindag wordt aangehouden. Hij heeft nog wat gevouwen papiertjes met heroïne bij zich. Uit het verhoor komen ook geen belangrijke zaken naar voren. Hij dealde om rianter te kunnen leven. Hij genoot aanzien van veel jonge Arameers om zich heen. Gedroeg zich in die kringen keurig, maar was buiten die kring eigenlijk een heel ander mens. Achteraf, toen ook de vriendin op de hoogte kwam dat hij seks met vrouwelijke gebruikers had, gaf zij als commentaar: “Ach ja, Ibo is nu eenmaal zo”. Ze bleef gewoon bij hem. Hij zat zijn straf van ongeveer 2 jaren uit.

Door dit onderzoek, kreeg ik, veelvuldig contact met een Arameese man genaamd: Gabriel Bozkurt. Hij is getrouwd en heeft twee kinderen. Bij hem thuis ziet alles er keurig uit. Geen overdreven welstand, maar alles netjes en schoon. Hij spreekt zeer slecht Nederlands, maar dat ben ik zo langzamerhand wel gewend. Ik heb twee jaren de Turkse taal geleerd, maar daar heb ik bij hem niet veel aan, omdat hij behalve het beetje Nederlands, de Aramese taal spreekt en hij kent verder ook wat Arabisch. Gezien de uitlatingen van deze volwassen man, vraag ik mij af of hij wel helemaal normaal in zijn hoofd is. Volgens zijn zeggen gebruikt hij geen heroïne maar hij gaat wel om met Nederlandse jongeren waarvan ik weet dat die super verslaafd zijn aan heroïne. Ik krijg eigenlijk geen hoogte van hem. Speelt hij een dubbelrol? Kan hij goed toneelspelen? Ik weet het niet.

Toch is hij heel openhartig en wil mij alles vertellen wat hij weet en naar hem luisteren, kan natuurlijk geen kwaad. In een gesprek met hem:
“Henk, heb jij je wel eens afgevraagd hoe bepaalde cafetaria´s in Enschede kunnen bestaan?” Hij noemt als voorbeeld een cafetaria in de stadswijk Stadsveld en een shoarmazaak in de wijk Het Boswinkel. Gabriel vervolgt: “Er komen daar bijna geen klanten die patat of shoarma kopen. Dat interesseert ze ook niet, want die doen heel andere zaken. Het zijn Arameers en die kopen in Enschede de ene na de andere patatzaak en shoarmazaak op. Het is een dekmantel, want ze doen in het groot in heroïne en hebben contacten met de Arameers in Gronau. Onder andere met Benjamin Yildiz. Ze rijden allemaal grote dure auto´s en niemand werkt. Zoek dat maar eens uit, dan heb je een grote zaak!”

Ik geloof Gabriel niet direct, maar deel de informatie wel mee aan de collega´s bij de Druwa. Eigenlijk kunnen we er niets mee, want we hebben in het geheel geen inzicht op deze groep. Ibo Altindag was de eerste, maar had niets te vertellen over hoe hij aan de heroïne kwam. In ieder geval niet meer dan: “Gekocht in Amsterdam”.

Toch blijft het bij je zitten en elke keer als we langs genoemde horecagelegenheden rijden, kijken we hoeveel klanten er in de zaak zijn. Inderdaad zeer weinig en we vragen ons steeds meer af hoe die panden, die gehuurd worden, betaald worden en hoe de zogenaamde eigenaren in zulke dure auto´s kunnen rijden.

Maar alleen met het feit dat wij ons afvragen waarvan zij het doen, krijgen wij niet meer gedaan en zullen geduld moeten hebben en hopen dat er wat meer informatie over hen binnen komt.
Ook gaan we eens over de grens in Gronau kijken en daar hetzelfde. Kleine horecagelegenheden, geen klanten en grote auto´s.

De enige ingang blijft onze Gabriel.

Naar boven:

Volgende pagina:

Vorige pagina: