Mijn levens als drugsrechercheur.
Deel 1.
Door Gejo Alberts
2013.
Voorwoord:
Ik heb dit boek geschreven omdat de periode dat ik bij de afdeling verdovende middelen van de gemeentepolitie Enschede werkzaam was, voor mij de belangrijkste periode in mijn leven is geweest. Eigenlijk ergens midden in mijn leven ben ik er ingestapt. Daarbij heb ik gebruik gemaakt van mijn ervaringen, maar achteraf gezien heb ik mijzelf in die periode pas goed leren kennen. Hoe oud je ook bent, het is goed dat je weet wat je sterke, maar zeker ook zwakke punten zijn. Het is nu al heel wat jaren geleden dat ik afscheid van deze afdeling heb genomen. Maar zeker niet van een aantal collega´s, waar ik nog steeds contacten mee onderhoud.
Ik heb geschreven vanuit mijn visie. Zoals ik het beleefd heb. Dit kan heel anders zijn dan een collega dit beleefd heeft. Elk mens schat situaties anders in en overziet deze anders. De één onthoudt bepaalde zaken, die een ander zó onbelangrijk vindt dat ze snel vergeten worden.
Ik hoop dat u door dit boek meer dan 15 jaren over mijn schouders mee kunt kijken en u zich een beeld kunt scheppen hoe zaken bij een afdeling verdovende middelen verlopen zijn, in een tijdperk, grotendeels zonder computers en mobiele telefoons en alleen een huistelefoon. Analoge verbindingsmiddelen zonder encryptie. De handen soms zwart van het doorslagpapier in de typemachine en gewapend met een flesje type out of type out papiertjes, om de typefouten te camoufleren. Als leidraad het Wetboek van Strafrecht, Wetboek van Strafvordering, de Opiumwet, de Wapenwetgeving en in ons hoofd een aantal artikelen uit het zogenaamde “Oud Twents Recht”, zaken aanpakken van heel kleine tot echt grote.
Omdat ik geen blad voor de mond neem ten aanzien van bepaalde mensen, heb ik de namen en de meeste adressen veranderd.
Hoe het er van kwam……
Het is in de zomer van het jaar 1977, wanneer ik de kamer van de afdeling verdovende middelen, van de gemeentepolitie Enschede binnenstap. Ik werd gevraagd of ik de functie van vuurwapenrechercheur bij deze afdeling zou willen vervullen. Ik zou dan op die afdeling samenwerken met Karel Ittersen.
In de kamer is niemand aanwezig. Vier metalen bureaus, als blok tegen elkaar gesteld, vullen het grootste gedeelte van deze ruimte. Omdat ik niet weet waar ik plaats moet nemen, ga ik achter één van de bureaus zitten. Ik had me van de ontvangst meer voorgesteld, maar het maakt me niet uit. Ik heb nu zelf even de tijd om alles rustig op mij in te laten werken.
Eindelijk weg uit die vreemde functie als “caférechercheur”, welke functie eigenlijk een onzekere periode was en ik mij niet meer op mijn gemak voelde. Caférechercheur was een bedenksel om meer informatie in te winnen uit de onderwereld, door zelf op deze wereld af te stappen. Een soort voorloper van de huidige CID, maar dan puur “Wild West” Een half jaar geleden werd ik gevraagd of ik de maat wilde worden van de zojuist in deze functie aangestelde Gerrit Ipskamp. Gerrit was veel ouder dan ik, althans zo keek ik met mijn achtentwintig jaren tegen deze eind dertiger aan. Hij deed al jaren dienst bij de recherche.
Nadat ik voor het eerst met Gerrit kennis had gemaakt vroeg hij of ik zijn maat wilde worden als caférechercheur. Daar ik op dat moment bij de zogenaamde brigade één van de surveillancedienst was ingedeeld, was het voor mij natuurlijk een hele eer, om gevraagd te worden. Ik was nog geen hoofdagent en dus minder dan 5 jaren in dienst. Ik kon mij geen voorstelling maken wat dit voor mij in zou houden. Nul ervaring op recherchegebied, maar na een kort gesprek met Gerrit, die ongeveer net zo groot was als ik, één meter vierennegentig, alleen een stuk sterker gebouwd, durfde ik het aan en zei ja……
Een grotere tegenvaller heb ik in die tijd bij de politie en ook daarbuiten niet gehad. Het ging niet zozeer om Gerrit, maar meer hoe invulling aan deze functie werd gegeven. Als ik voordien geweten had, wat dit inhield, had ik deze functie nooit aangenomen. Ik voelde me nutteloos en ongemakkelijk.
Politieman was sowieso niet mijn eerste beroepskeuze in het leven. Tot op dat moment had ik nog geen werk gedaan waar ik van droomde. Al van kinds af aan gingen mijn interesses uit naar de elektrotechniek. De grote fout van mij was, dat ik te beroerd geweest ben om een school af te maken. Ik werd na de lagere school, tegen mijn wil, op de toen zo genoemde ULO geplaatst, terwijl ik zelf duidelijk had aangegeven om naar de ambachtschool te willen om daar te leren voor het beroep van elektricien. Daarom heb ik het leren bewust gesaboteerd. Als mijn kinderen vroeger zulke rapporten mee naar huis hadden genomen als ik gedaan had, zou ik volgens mij spontaan depressief geworden zijn.
Uiteindelijk solliciteerde ik als radio - radarmonteur bij de Koninklijke Marine, maar omdat er bij mij niet de benodigde papieren waren ging dit niet door. Op voorstel van een officier bij het keuringscentrum in Hollandse Rading heb ik toen zelf gekozen voor het Korps Mariniers. Ook daarvan wist ik voordien eigenlijk niet wat dat beroep inhield. Maar ik had eindelijk een vaste baan en begon toekomst te zien voor mezelf. Voordien stond ik altijd op de kiep om ontslagen te worden. Voor die tijd werkte ik bij een radiozaak als antenneplaatser, maar toen zo langzamerhand iedereen was voorzien van tv met antenne, werd het aanbod minder en werd mij voorzichtig te verstaan gegeven dat ik in dit beroep niet het eeuwige leven had.
Tijdens mijn zes jarig dienstverband bij het Korps mariniers, trouwde ik met Miranda, al snel werd onze dochter Kirstin geboren. Na een aantal jaren kon ik over naar een meer technisch beroep aan boord van een marineschip als konstabel, ook wel kanonnenboer genoemd. Dit werk deed ik inmiddels met veel plezier op één van de torpedobootjagers van de Koninklijke Marine en vroeg de opleiding aan voor korporaal konstabel en zonder enige belemmering werd ik voor deze opleiding aangenomen. Wanneer ik deze functie aan zou nemen, moest ik eerst weer naar school. Na de opleiding betekende het wel dat ik veel vaker, aan boord van een marineschip geplaatst zou worden en dus veel vaker, langdurig van huis zou zijn. Nadat ik dit thuis had verteld en de consequenties daarvan had uitgelegd, schrok Miranda, die ook weer zwanger was, hevig en barste in tranen uit. Ze was niet meer te troosten. Ja, wat blijft er dan voor je over. Ik besloot bij de politie te solliciteren en verzocht Miranda, voor honderd procent achter me te staan, wat er ook gebeuren zou, want als ik de opleiding niet zou halen, dan bleef er niet veel anders over om een baan als een ongeschoolde arbeider aan te nemen. Terug naar de marine kon dan niet meer.
Zij was zichtbaar opgelucht en vervolgens solliciteerde ik naar een functie als politieman waarna ik uiteindelijk werd aangenomen bij het politiekorps in Enschede, zijnde de stad waar ik ook werd geboren. De studie op de politieopleidingschool was voor mij zwaar, temeer omdat er een enorme druk op mij lag. Ik had met mijn 23 jaren, de verantwoording over een heel gezin. Gedurende deze schooltijd werd ons zoontje geboren, genaamd Nico. Ondanks dit alles, of misschien wel onder de druk van deze verantwoordelijkheid, slaagde ik.
Mijn eerste indrukken..
Mijn blik gaat weer door de kamer van de afdeling verdovende middelen, dat nu mijn nieuwe werkplek is geworden. Ik voel me gelukkig en tevreden dat ik ondanks alles deze functie heb gekregen. De caférecherche zelf werd niet opgeheven, maar voor mij in de plaats kwam de rechercheur Rob Timmerman, een oude rot in het vak en verder de brigadier Ferdi Simmerink.
Wat mij opvalt in deze kamer, is de enorme rotzooi en wanorde. Ik ben zelf geen Pietje precies, maar op de bureaus liggen overal papiertjes met namen en telefoonnummers en aantekeningen. Zo ziet de afdeling drugs en wapens er dan uit. Behalve de vier bureaus, staat er ook nog een grote glazen vitrine, met etages. Op de bovenste en middelste etage, allerlei soorten drugs en gebruikersattributen en op de onderste etage revolvers, pistolen en munitie. Ik heb het meeste verstand van de onderste etage met wapens. Al het andere is voor mij nog onbekend. Wanneer je lang naar die gebruikersartikelen kijkt, lijkt het net een stil leven. Je heb je het gevoel in een andere wereld te duiken, een wereld die voor mij op dat moment volledig onbekend is. Alhoewel ik geen enkel idee heb wat de drugsrechercheurs doen en hoe dit verder in z’n werk zal gaan, kan ik niet afwachten om hier meer van te weten te komen. Ik heb geen recherche ervaring, behalve dat ik bijna alcoholist geworden ben, in mijn vorige functie als caférechercheur.
Dan, kort na de middag komt er een oudere heer binnen, kijkt mij aan en geeft me een hand: “Jij bent de nieuwe?” Vraagt hij. “Ja” is mijn antwoord. “Ik ben Ido Middelkoop en ben drugsrechercheur. Er staat jou nog een hoop werk te wachten, mijn jongen! Ik ben net terug van een school en heb daar een lezing over drugs gegeven”. Ido plaats de koffer, die hij met zich mee voert, op zijn bureau en opent deze. Met verbazing kijk ik in de koffer. “Wat is dat allemaal!” Ik durf niet te vragen wat er allemaal in die koffer zit. Ik heb voordien nog nooit echt drugs gezien. Ik geloof dat op de politieschool daar een keer aandacht aan is besteed. Maar bij het openen van deze koffer, komt mij een zoete lucht tegemoet. Ik ken Ido nog te weinig om vragen te stellen. Misschien om zo niet als “ondeskundige” door de mand vallen. Dus ik doe alsof ik verstand heb van waterpijpen, blokken hasj en potjes met bruin poeder. Natuurlijk bekijk ik alles aandachtig, ruik ook aan de blokken hasj en potjes heroïne, onder goedkeurend oog van Ido.
Bij mijn vele overplaatsingen bij de marine, in kazernes en op schepen, had ik geleerd, niet direct het achterste van je tong te laten zien. Ik heb al veel praatjesmakers op die wijze door de mand zien vallen. Eén keer een slecht imago en je kunt het eigenlijk wel vergeten. Dus van deze kennis maak ik nu ook gebruik, met dit verschil dat ik mij nu niet verschuilen, kan in de massa, maar er eigenlijk alleen voor sta.
Van Ido zou je niet denken dat het een drugsrechercheur is. Eerder een leraar voor de klas. Keurig pak aan. Zijn vingernagels tot in de puntjes verzorgd en een keurig net taalgebruik. Een prachtig bijgewerkt dun snorretje. Aan heel zijn voorkomen kun je zien dat dit een heer is. In zo iemand heb ik direct sympathie en vertrouwen.
Uniformdienst
Dat had ik de laatste jaren wel anders meegemaakt toen ik als agent begonnen was.
Op de eerste dag bij mijn aanmelding in het uniform, op het politiebureau in Enschede, verwees de wachtcommandant mij naar de agentenwacht. Ik was ingedeeld bij brigade één. Bij binnenkomst, hielden de daar aanwezige politiemensen op met praten en keken mij aan. Niet op een manier zoals ik dat bij de marine gewend was. Voor mij stond een politieman, in een uniform, dat volgens mij al jaren geleden was vervangen door het nieuwe, maar hij liep daar nog steeds mee, als een soort wandelend relikwie Hij keek me aan als of ik een marsmannetje was. Ik gaf maar geen hand en zei in het algemeen: “Ik ben Henk Berends en ben ingedeeld bij brigade één”. De man in het ouderwetse uniform, genaamd Hennie Hoogkamp, antwoordde: “Dan heb je geluk gehad. Je bent bij de beste brigade van ons korps terechtgekomen!”
In de vijf jaren, dat ik dienst deed in deze brigade, die door de andere zeven brigades “De geweldsbrigade” genoemd werd, leerde ik de collega’s kennen, net zoals bij de marine. Dit waren maten. Met maten sta je schouder aan schouder, lacht met elkaar, helpt elkaar, als het moet ook uit de moeilijkheden en als een maat, echt in de “fout” was gegaan, verraadde je hem niet. Bij de marine noemde je zo’n verrader een “matennaaier”. Als je die titel kreeg was het afgelopen met je. Je leefde dan in een totaal isolement en niemand wilde iets met je te maken hebben.
Die sterke punten vond ik terug bij deze brigade. De zwakke punten waren, dat een soort anarchie was binnengeslopen, in wat goed of slecht was, wat volgens de wet kon en wat niet. Een eigen uitdrukking hadden we gevonden, voor iets dat wettelijk niet kon en dat toch werd gedaan. Het viel dan onder het zogenaamde “Oud Twents Recht”. En wie maakte dat recht uit? Natuurlijk de leden van de brigade. Dat daarom veel dingen gebeurd zijn die niet konden, moge duidelijk zijn. Ook ik heb mij veelvuldig schuldig gemaakt, aan zaken die niet door de beugel konden. Het is nooit uitgekomen, omdat wij binnen de groep geen “matennaaiers” hadden.
Ik had me gedurende die tijd, achteraf gezien, al teveel aangepast aan de cultuur die daar heerste.
Nieuwe start..
Nu, in mijn nieuwe functie, kan ik een nieuwe start maken. Kort na mijn vertrek viel de brigade één uiteen. Verbazingwekkend hoeveel personen van deze brigade, ik praat dan over hoofdagenten, later carrière gemaakt hebben, zowel binnen de politie via inspecteur naar commissaris of korpschef, alsmede belangrijke functies daar buiten……
Aan het einde van de middag komen twee mij bekende rechercheurs de kamer binnen. “Ah, jij bent de nieuwe? Prettig kennis te maken. Hopelijk bevalt het je bij ons. Mijn naam is Jan in het Veld.” “Aangenaam” antwoord ik. De andere rechercheur komt op mij af, geeft me een hand, kijkt me lachend aan en zegt: “Karel Ittersen”. Karel is een sportief uitziend jongen. Ik had al veel van hem gehoord, dat hij veel onderweg was bij politie sportwedstrijden, onder andere boksen, judo en nog veel meer. Eigenlijk geen tijd voor het politievak. Door een blessure moet hij het nu rustiger aan doen. Jan heb ik wel vaker gezien, maar verder weet ik weinig van hem. Mijn eerste indruk is dat Jan een overtuigende spreker is en dat hij graag wil dat anderen naar hem luisteren en geloven wat hij zegt. Karel is meer in voor een geintje. Karel is ook de vuurwapenrechercheur waar ik aan gekoppeld zal worden.
Jan: “Het is nu laat, we gaan zo naar huis. Morgen praten we je wel even bij om je op weg te helpen. Er is nog een rechercheur bij de afdeling, die zich niet laat zien en later ook het veld moest ruimen door, voor mij toen nog onbekende redenen. Dit is Nol van Boven.
Karel en Jan vertrekken vervolgens samen in de dienstauto, naar hun woonplaats Haaksbergen. Ido gaat naar huis en ik pak de fiets. Dit was dan mijn eerste werkdag bij de afdeling verdovende middelen. Thuis gekomen vraagt Miranda aan mij hoe het gegaan is. Ik zeg dat ik het nog niet weet. Morgen zal er voor mij meer duidelijkheid komen.
De volgende ochtend kom ik op mijn fiets op het afgesproken tijdstip, 08.00 uur, aan op het politiebureau, ga naar mijn kamer en neem plaats achter het bureau. Niemand aanwezig. Waar zijn ze allemaal? Ik weet het niet. Ik ga wat lezen, maar ik voel me toch opgelaten. Ik ben op tijd. Afspraak is afspraak. Nu weet ik nóg niet wat ik moet doen. Tegen de middag komen Karel en Jan de kamer binnen. Jan doet direct het woord, terwijl Karel plaats neemt achter een bureau en ook voornemens is naar het verhaal van Jan te luisteren. “Henk, sorry dat we zo laat zijn, maar we werden gebeld door een informant in verband met de levering van een aantal vuurwapens vanuit Zwitserland naar Nederland en we moesten direct bij hem komen. Karel en ik moeten deze week nog op pad”.
Ik vraag wie die informant is. Jan antwoordt dat ik dat te zijner tijd nog wel zal horen. Ik heb er vrede mee. Ze zijn aan het werk en dat hoort ook zo. “Oh, nog wat”, zegt Jan “We dienen elke ochtend om 08.00 uur, bij de recherchebespreking aanwezig te zijn, op de grote kamer van de recherche. Je hoort dan het laatste nieuws van de afgelopen nacht. Tevens word ook jij ingedeeld in de pool rechercheurs, die af en toe als algemeen rechercheur een nachtdienst moet doen”. “Wat houdt dat in?” Vraag ik. “In de nachtdienst moet je naar inbraken of aangiftes opnemen. Al het recherchewerk moet je doen en zorgen dat het in de ochtend klaar ligt voor de dagdienst. Die zullen de zaken verder afhandelen. Drugszaken blijven bij ons liggen”.
Ik schrik van dit laatste. Ik heb geen ervaring in recherchewerk en heb nog nooit een aangifte opgenomen, heb nog nooit een inbraak opgenomen. Ik uit mijn ongerustheid en onzekerheid hierin niet en laat de dingen gewoon op me afkomen.
Vanaf die dag is mijn dagelijkse gang eerst naar de recherchekamer. De daar aanwezige rechercheurs zijn bijna allemaal tien tot twintig jaren ouder dan ik en aan hun gedragingen en praten, kan ik horen dat het stuk voor stuk ervaren mensen zijn, die hun sporen bij de recherche al lang verdiend hebben. Er zijn er bij die al lang brigadier hadden kunnen zijn. Ze moeten dan wel eerst het zogenaamde “B” diploma halen. Maar deze rechercheurs zijn zo verknocht aan hun werk bij de recherche dat zij bewust deze studie niet doen. Want eenmaal brigadier, moeten zij de recherche verlaten en het is dan nog maar de vraag of zij later als brigadierrechercheur ooit nog weer een plaatsje bij de recherche krijgen.
De oude rotten bij de recherche maken me wegwijs….
Opmerkelijk is hoe vriendelijk ik daar vanaf die eerste dag werd ontvangen. Daarom viel het mij ook niet moeilijk om vragen te stellen hoe het één en ander in zijn werk zou gaan, waarbij ik van alle kanten hulp kreeg. Formulieren werden mij getoond. Hoe ik een aangifte op moest nemen. Wie ik moest waarschuwen bij een inbraak en wie ik moest waarschuwen bij een eventuele moord. Enkelen waren er bij die zeiden: “Kom je er helemaal niet uit, moet je mij maar bellen. Al is het midden in de nacht. Geen enkel probleem”.
Dit stelde mij gerust, las veel dossiers door, bekeek aangiftes en verhoorprocessen-verbaal.
Processen-verbaal had ik al veel gemaakt, maar dat waren meestal processen-verbaal die opgemaakt waren naar aanleiding van het opsporen van geheime zenders. Dit was een bijbaantje in de brigade één, en had dit samen gedaan met Benno Gerritsen. Dit bijbaantje ontwikkelde zich zo extreem dat ik bijna niets anders meer deed en op den duur liep dat uit op een hevige confrontatie met de andere brigadeleden. Maar zoals het hoort, goed uitgesproken en alles was vergeven en vergeten. Dat dit bij mij zo extreem was, kwam natuurlijk omdat ik weer met de radiotechniek te maken had.
Nadat Jan mij had ingelicht over de gang van zaken, neemt Karel het woord: “Henk, we moeten elke maand naar een vuurwapenvergadering om van de laatste nieuwtjes en onderzoeken te vernemen”. “Ja, dat is prima Karel. Ik hoor het wel”. Eindelijk een klein stapje in de richting van het functioneren op de nieuwe afdeling.
Eerste conclusies over de nieuwe werkplek….
Een paar maanden zijn voorbij gegaan en ik kan mijn eerste conclusies trekken: een aantal van deze vuurwapenvergaderingen meegemaakt hebbende, is mij gebleken dat er eigenlijk geen echt gerichte zaken op vuurwapengebied zijn. De tips die uit de vergaderingen komen, zijn soms te fantastisch om waar te zijn. We komen niet tot gericht rechercheren op dit gebied.
Verder, Jan en Karel zijn twee goede jongens die het beste voor hebben met de opsporing. Ik heb ondertussen ook contact gekregen met hun informant. Dat wil zeggen dat ik er een keer bij mocht zijn. Het was nachtclubhouder Johan Prinsen. De man keek mij bij dat bezoek minachtend aan, alsof hij zeggen wilde: “Wat doe jij hier? Ik ken jou niet!” Na het bezoek maakte Jan mij duidelijk dat deze contacten tijd moesten hebben. Ik had daar toen al een andere mening over, maar sprak deze niet uit. Waarom zou zo iemand in zee gaan met de politie? Hij had daar geen enkel belang bij, of hij moet andere belangen hebben, die wij op dat moment nog niet wisten. Uiteraard heb ik mijn mening niet tegen Jan gezegd.
Ik kreeg namelijk in die maanden het gevoel dat Johan beide rechercheurs meer bestuurde dan andersom. Volgens mij namen ze hem zoveel in vertrouwen, dat Johan als het ware de regie van zaken op zich nam.
Verder bleek mij dat Jan en Karel, een onafscheidelijk koppel vormde en dat ik een soort derde rad aan de wagen was. Ido, de oudere rechercheur, ging zijn eigen weg en zat meer in de voorlichting.
Op het laatst was het zelfs zo, dat ik mij helemaal buitengesloten voelde. Als voorbeeld het volgende: We hadden afgesproken dat wij ’s middags met z’n drieën ergens op af zouden gaan en zij mij van huis op zouden halen. Na twee uurtjes gewacht te hebben, ging de telefoon. “Hallo, met Jan. Er is iets tussengekomen en we redden het niet meer, daarom blijf maar lekker thuis. We zien je morgen wel weer.” Als je niet graag zou werken, was dat een meevaller zomaar een dag thuis zonder verlof in te leveren. Hobby’s genoeg, dus prima toch? Zo voelde het niet bij mij. Ik was gefrustreerd. Ik hoorde nergens bij en voelde me een soort lastpak aan de benen van Jan en Karel.
Een gevoel dat ik niet eerder had meegemaakt, of het moet in de beginperiode van mijn werk geweest zijn, toen mijn familie van Enschede naar Emmen verhuisde en ik uiteindelijk het genoemde baantje kreeg in de antennemontage. Dat was in de jaren zestig, toen kort voor de kerst, iedereen nog even een TV kocht en direct ook beelden wilde hebben. Eerst werd een noodantenne meestal in de tuin neergezet en later op het dak geplaatst. Drie antennes per dag, dat moest kunnen. We werkten met z’n tweeën. De oudere collega, bleef mij voortdurend beledigen en kleineren, terwijl ik het was die het dak op moest, om antennes te plaatsen. Dat was dus in de wintermaanden, december, januari en februari van het jaar 1964. Mijn collega controleerde alleen of de antenne juist was uitgericht, door naar de tv-beelden te kijken. Eenmaal weer op de werkplek, werd ik weer gekleineerd. Ik durfde niets terug te zeggen, tot uiteindelijk een paar vrouwelijke collega’s van de afdeling grammofoonplatenverkoop het voor mij opnamen. Eén van hen: “Nou is het genoeg geweest, wat heeft hij jullie gedaan? Hij werkt toch zoals het hoort? Ik wil dat dit nu stopt!” Dat alles was bij Radio Wabo in Emmen. Inderdaad hielpen deze woorden, maar ik had geen rust meer en toen de heer Bosman ook nog de mededeling deed dat er eigenlijk te weinig werk voor mij was, ben op zoek gegaan naar ander werk en kwam toen bij het Korps Mariniers terecht…….
Na alles op een rij gezet te hebben zeg ik tegen mezelf: “ Henk, dit zelfde gevoel als een nietsnut rond te lopen wil ik niet meer. Ik ben nu volwassen en moet voor mezelf opkomen. Ik ga zelf iets doen. Me zelf nuttig maken voor de afdeling. Breng orde in de wanorde. Ja, dat is het! Zo ga ik het doen.”
Opruimen……
De volgende ochtend, vol goede moed, op de fiets naar het bureau. Vastberaden om zelf iets te ondernemen. Bij de rechercheadministratie aangekomen, vraag ik om een kaartenbakje en kaartjes. “Wat wil je daarmee”, is de vraag. Ik wil orde scheppen in de chaos bij de afdeling verdovende middelen. “Dat is een goede instelling!” is het antwoord en korte tijd later loop ik met alles wat ik nodig heb naar onze kamer om met mijn werk te beginnen. Op onze werkkamer begin ik alle losse papiertjes met telefoonnummers, namen en adressen te verzamelen en maak van elk papiertje (memo’s kun je het niet noemen) een kaartje. Toen ik de kaartjes ophaalde kon ik kiezen uit witte, groene of rode kaartjes. Ik nam de rode. Geen idee waarom.
Een papiertje met daarop geschreven: “Ali en een telefoonnummer”. Hup in de typemachine en een kaartje gemaakt.
Het is aan het einde van de middag als ik net klaar ben met mijn administratie wanneer Jan en Karel de kamer binnen komen. Jan ziet direct dat er iets is gebeurd met zijn notities, kijkt mij aan en vraagt: “Wat heb je met mijn aantekeningen gedaan?” “Het was zo’n wanorde daarom heb ik besloten alles in een systeem bij te houden, zodat je het altijd terug kunt vinden”. Ik toon Jan en Kees daarna het door mij gemaakte kaartensysteem. “Je kunt daarin zoeken op naam voornaam, bijnaam, adres en telefoonnummer. Dus wanneer jullie een ingang hebben, kun je de rest ook vinden, want de kaartjes verwijzen naar elkaar”.
Eerste aanvaring…..
Na dit gesprek zegt Jan tegen mij: “Nu we elkaar toch spreken, wil ik je eens wat vragen. Douche jij je wel eens? Op de kamer hangt de laatste tijd zo’n zweterige lucht!” Bij het horen van deze opmerking explodeer ik bijna van woede en antwoordt: “Jullie zijn de hele dag afwezig, de zon schijnt de hele dag hier op de ramen, die nauwelijks open kunnen en het is hier dan bloed heet. Ik werk me rot om een beetje lijn in jullie rotzooi te krijgen en dan is het dat wat je te zeggen hebt? Ik zeg je nu! Het gaat anders worden. Ik pik dit niet langer om als derde rad aan de wagen te fungeren. Kees is mijn maat en van Kees en mij wordt verwacht dat wij de vuurwapenhandel aanpakken. Na een paar maanden merk ik hier nog niets van! Jij (Daarbij duidend op Jan) bent een drugsrechercheur en van jou wordt aangenomen en verwacht dat je met Ido op pad gaat om drugs te bestrijden!” “Ja, maar Ido is al zo oud, dat lukt hem niet meer”, antwoordt Jan. “Dat is niet mijn zaak, dan moet jij je beklagen bij de baas!”
Vanaf die tijd gaat het ineens beter tussen zowel Jan als Karel en mij. We leren elkaar beter kennen. Komen elkaar met de vrouwen een keer thuis in de privé-sfeer met een bezoek vereren en wordt ik nu als volwaardig medewerker geaccepteerd. Jan leer ik nu echt kennen. Hij is een enorm serieus persoon, wil ook graag zo geaccepteerd worden. Waarom Karel bij de politie is gegaan, is mij onduidelijk gebleven. Hij is, zoals gezegd, een enorme sportman, maar tevens is hij kunstenaar, die ook op het kunstinstituut gestudeerd heeft. Hij is van die school gestuurd, omdat hij te realistisch was in zijn beeldende vormen en dat werd volgens zijn zeggen niet geaccepteerd. Het moest abstract zijn.
Mijn eerste informant…..
Op een dag word ik door Jan en Karel geintroduceerd bij een zogenaamde “informant”. Dit is een wat oudere Turkse man, genaamd Mustafa Pelivan, die mij voortaan informatie zal gaan verschaffen over de drugshandel in Enschede.
Als snel werd het mij duidelijk dat het geen geschenk van Jan en Kees was, maar dat zij het vele onsamenhangende gepraat in een slecht Nederlands, zelf niet interessant vonden en hem ook niet echt serieus namen. In een ontmoeting met Mustafa gaf ik hem mijn privé-telefoonnummer, voor het geval hij iets belangrijks te vertellen zou hebben. Dit had ik achteraf gezoen nooit moeten doen, want vanaf die tijd belde hij mij minstens 3 keer per week op, en zijn verhaal begon altijd als volgt: “Henk, pak pen papier, luister heel interesanteses……” Dan volgden een lange rij van namen, bijnamen van Turkse mensen die volgens hem bezig waren in de drugshandel. Alleen zoals verwacht, geen concrete zaken. Ik schreef wel al die namen en bijnamen op en verwerkte deze later in het kaartsysteem. Had ik eenmaal een bijnaam, bij de echte naam, dan stonden er twee kaartjes in mijn systeem.
___________________________________
--------------