Mijn eerste drugszaak….
Deel 2.
Mustafa stapt uit de auto en ik rijd weer naar het bureau. Op de kamer laat ik de plak hasj aan Jan en Karel zien en vraag hen hoe wij dit verder aanpakken.
Jan: “Jemig, wat moeten we daar mee. Dat krijgen we nooit gedaan om een partij te bestellen. We moeten die dan laten onderscheppen en dan komt er een heel onderzoek en Mustafa kan dan problemen krijgen!” “Ja, dat weet ik wel, maar we hebben de eerste stap gezet. Mustafa vertelde mij, dat het spul afkomstig is van Turkse maffiamensen in Deventer, die in nauw contact staat met mensen in Rotterdam en die verwachten nu iets, anders krijgt Mustafa sowieso problemen.” Is mijn antwoord. Ik krijg het gevoel dat wij met z’n drieën nu pas het probleem inzien. Wat kunnen we doen?
Opeens zegt Karel: “Hé luister eens, ik heb goede contacten met de Kripo Duisburg. Ik heb samen met hen boxwedstrijden gedaan. Ik ken een paar namen. Als wij nou eens contact met hen op zouden nemen en een partij naar Duitsland laten gaan. Dat is zekerder voor Mustafa en wij krijgen ook geen problemen!” Dit idee wordt door ons alle drie overgenomen en Karel en ik besluiten naar de Kripo in Duisburg te rijden om onze zaak voor te leggen.
Enige dagen later rijden Kees en ik, zonder onze chefs verder in kennis te stellen, naar de collega`s in Duisburg en leggen onze zaak voor, waarbij wij onze voorstelling van zaken geven: een disco-eigenaar uit Duisburg wil 200 kilo hasj kopen voor de markt in het Roergebied.
Zonder al teveel problemen wordt dit door de Duitsers aanvaard en een ontmoeting zal via Mustafa plaatsvinden op de parkeerplaats van Motel Arnhem, waarbij ook het geld zal worden getoond. Bij de aflevering in Duitsland op een parkeerplaats van een autoweg, ergens richting Duisburg, zal het geld zogenaamd overhandigd worden en de hasj worden overgeladen. Maar zo ver zal het niet komen, want een “toevallige” controle door de politie zal de rit vroegtijdig doen eindigen.
Karel en ik gaan opgetogen richting Nederland en zullen Mustafa instrueren, wat hij tegen de leveranciers moet zeggen. Dus het verhaal dat een disco-eigenaar, na het testen van het monster, bijzonder tevreden was en nu een partij van 200 kilo wil kopen. Nadat Mustafa gebeld heeft en een afspraak heeft gemaakt, moet hij deze afspraak aan ons doorgeven, omdat wij hem met de, enige jaren daarvoor opgerichte, observatiegroep willen begeleiden. Diezelfde avond belt Mustafa mij thuis en zegt dat hij morgen om 11.00 uur een afspraak heeft met de Maffiabaas in Deventer. Die ochtend wordt Mustafa onder observatie genomen en inderdaad vertrekt hij met zijn oude grote Amerikaan richting Deventer. Hij stopt op een parkeerplaats in het centrum en gaat een klein stukje te voet en verdwijnt in een Turks theehuis. Een half uurtje later komt hij, samen met een man naar buiten, die er uit ziet als een samoeraiworstelaar. Daarna vertrekken beide mannen richting Rotterdam in de auto van Mustafa. In de buurt van een Turks theehuis wordt geparkeerd en beiden gaan daar naar binnen. Een uurtje later, komen ze weer naar buiten, stappen in de auto en rijden weer naar Deventer. Daar stapt de Samoerai uit en Mustafa gaat alleen terug naar zijn huis in Enschede. Mustafa is niet op de hoogte dat hij werd gevolgd.
Die avond belt Mustafa mij thuis op en doet zijn verhaal. Ik kan horen dat hij enorm opgewonden en nerveus is en daardoor nog moeilijker te verstaan: “Henk luister,….hééél interessanteses. Zij kunnen leveren, maar! Zij willen eerst geld zien!”. “Oké, ik geef het door”, is mijn antwoordt. “Waar ben jij geweest?”, vragende alsof ik dat niet zou weten. “Ik ben eersj Deventer gereden. Daar is chef ingestapt….héééél gevaarlijke man. Hij is van Grijze Wolf. Met hem naar Theehuis in Rotterdam gegaan. Weet niet de naam en ook niet straat. In centrum. Daar in klein kamertje gepraat met 3 Turkse mannen. Zij vragen: “Hoe ken jij discoman?” Ik zeggen: “Kennis van mij heeft gewerkt in Duisburg. Ik één keer mee geweest naar Disco. Hij doet zaken met discoman.” “Zij vragen mij: “Hoe heet die kennis?” “Ik zeggen: “Kan ik niet zeggen. Hij krijg grote probleem, als ik noem zijn naam. Jullie begrijpen”. Zij begrijpen en niet verder vragen naar hem. Gelukkig maar”.
De ochtend daarop belt Karel met de collega’s in Duisburg en geeft door dat ze geld willen zien. Geen probleem voor de Duitsers, dat kan geregeld worden. Zij zullen het geld naar een bank in Arnhem brengen en daar een kluisje huren. De ontmoeting zal bij Motel Arnhem zijn.
Dan gaat er enige tijd overheen voor er een definitieve afspraak gemaakt kan worden. Het duurt zelfs zo lang dat Jan en Karel op vakantie gaan. Ik ben dan helemaal alleen op de afdeling en dat geeft bij mij toch een raar gevoel. Dan belt iemand van de Kripo Duisburg op en zegt dat zij het geld ter beschikking hebben en niet zo lang kunnen houden, of ik zo snel mogelijk een afspraak wil maken. Ik neem dan contact op met Mustafa, die op zijn beurt contact opneemt met de leveranciers. Ik druk Mustafa op het hart, zelf niet aanwezig te zijn bij het contact tussen de discoman en de leveranciers. Hij moet proberen met een smoesje weg te komen zogenaamd in verband met familieproblemen.
Die avond belt Mustafa mij en zegt dat komende zaterdag om 14.00 uur, de mensen op de afgesproken plaats, Motel Arnhem, zullen zijn.
Ik zit nu echt in de problemen. Ik ben alleen. De observatie kan ik wel krijgen. Ik moet mee voor eventuele instructies en contact met Mustafa. Dan besluit ik de knoop door te hakken en onze adjudant Nicols van het één en ander op de hoogte te brengen en te vragen of hij mee wil gaan naar Arnhem. Nicols kijkt me aan of hij het in Keulen hoort donderen. “Wat is dat? Waar gaat het over. Ik snap er niets van”, zijn de woorden die hij gebruikt. Ik verklaar hem dan voorzichtig dat het gaat om een informant die contact krijgt met drugsleveranciers en afnemers, de Duitse politie uit Duisburg.
Nicols gaat dan met gefronste wenkbrauwen akkoord en die zaterdag vertrekken we naar de parkeerplaats van Motel Arnhem, nabij de autoweg. Mustafa is onder observatie genomen en gaat zijn eigen weg daar naar toe. Onderweg naar Arnhem, wordt er niet veel gesproken en ik merk dat Nicols met tegenzin meegaat. Waarschijnlijk is deze tegenzin niet ontstaan door de op handen zijnde actie, maar omdat verzuimd werd hem vooraf over deze zaak te informeren. Terug kijkend begrijp ik op dat moment ook dat het niet helemaal zo gelopen is zoals het behoort. En dan druk ik mij nogal zacht uit.
Bij de parkeerplaats aangekomen nemen wij tussen een aantal bomen en struiken op een soort afscheidingswal, zicht op deze parkeerplaats. Van daaruit kunnen we de hele parkeerplaats goed overzien. Kort daarop komt de grote Amerikaan van Mustafa de parkeerplaats oprijden. Hij is vergezeld van de Turkse Samoerai uit Deventer. Beiden turen de parkeerplaats af en uiteindelijk stappen er drie Turks uitziende mannen uit een daar reeds langer geparkeerde auto en lopen op Mustafa en zijn begeleider af. Ze begroeten elkaar en blijven wat praten, daarbij voortdurend om zich heen kijkend. Dan komt er een grote Duitse Mercedes de parkeerplaats oprijden, met een Duisburger kenteken. Ik zeg tegen Nicols: “Dat zijn de collega’s uit Duisburg”. “Aha”, krijg ik als antwoord. Kennelijk raakt Nicols meer geboeid door wat zich op de parkeerplaats afspeelt. Na de begroeting met de drie Duitsers uit deze auto, loopt het hele stel op een kennelijk ongedwongen wijze het motel binnen. Alleen Mustafa gedraagt zich anders als dat ik van hem gewend ben. “Ik hoop niet dat Mustafa bij de bespreking blijft zitten. Dat heb ik met hem afgesproken”, zeg ik tegen Nicols. Ik begin me toch ongerust te maken of alles wel zo zal gaan als ik mij voorgesteld heb. Nicols en ik staan ongeveer een half uurtje op dezelfde plaats en krijgen het gevoel dat wij er niet langer blijven kunnen, omdat dat misschien op zal vallen. Net op het moment dat we daar weg willen gaan, zien we twee Duitse collega’s met de twee onbekende Turken, in de Duitse auto stappen en de parkeerplaats afrijden. Na ongeveer een uurtje gewacht te hebben, komt de auto terug en gaan de inzittenden weer het motel binnen. Achteraf blijkt dat ze naar de bank geweest zijn, waar de Duitsers voordien het geld in een kluis hadden gedeponeerd en daar aan de Turken het geld hadden getoond.
Een half uurtje later komt het hele gezelschap weer uit het motel en ieder gaat zijns weegs. Ook Nicols en ik vertrekken weer richting politiebureau in Enschede, alwaar ik dus te horen krijg dat het geld werd getoond. Zonder veel te zeggen staat Nicols op en zegt: “Ik ga naar huis”. Ook ik ga naar huis. Die avond belt Mustafa mij op. Mustafa klinkt erg opgewonden en vertelt het volgende:
”Henk, luister, hééél spannendste, maar allemaal goed gegaan. Zij hebben geld gezien, maar waren bang. Zij vragen mij: “Mustafa, is dit goede mensen?” Ik zeg: “Heel goede. Hoeft niet bang te zijn. Alles goed”. “Ben je bij het gesprek geweest?” vraag ik. “Ik snap je bedoel. Ik kon niet weg. Ik moest blijven”. Direct komen bij mij grote vraagtekens op. Kan ik Mustafa beschermen? Als de zaak straks klapt en de Duitsers doen dat op hun eigen manier, kan ik zijn naam er buiten houden? Hij is vertrouwenspersoon en is daar direct gevraagd naar de betrouwbaarheid van zogenaamde disco-eigenaar uit Duisburg.
”Wanneer zal de zaak gaan lopen?” vraag ik aan Mustafa. “Ik niet weten. Zij eerst overleggen en nemen contact met de disco-eigenaar op”, antwoordt hij.
Voor mij wordt dat een probleem. Ik moet nog een week werken en dan ga ik op vakantie Karel en Jan zijn dan terug.
De week verloopt rustig en ik hoor niets van Mustafa. Voordat mijn vakantie begint, zet ik eerst nog even alles op papier, zodat Jan en Karel goed voorbereid zijn op de dingen die komen gaan. Alhoewel ik me afvraag wat nog onze rol in deze zaak is. De Duitsers hebben contact met de leverancier, dus alles gaat langs ons heen. Ik bel voor de zekerheid toch nog even naar Duisburg en spreek met een betrokken collega, die ik op het hart druk, onze informant, absoluut buiten schot te houden. Ik krijg als antwoord: “Henk, kein Problem. Alles wird schon gut kommen”.
Op vakantie.
Dan ga ik op vakantie met de caravan en mijn gezinnetje naar ons lievelingsland Joegoslavië.Toch ga ik anders op vakantie en ben geregeld met mijn hoofd bij de zaak, vooral op het moment dat ik richting Duisburg rijd. “Zal de zaak hier ergens op een parkeerplaats, klappen?” We hebben een fijne vakantie en na drie weken keren we terug. Zo gauw ik thuis ben, grijp ik de telefoon en bel Karel: “Wat is het geworden?”, vraag ik. Karel antwoordt: “Ze hebben op een parkeerplaats richting Duisburg 160 kilo hasj in beslag genomen. Maar de leveranciers waren er niet bij. Ze hadden een Turkse man en vrouw uit Rotterdam als koerier. Zij reden in een oude Opel Ascona en zijn zogenaamd om de auto te controleren op zijn technische staat, door de politie aan de kant gezet. De man en de vrouw zitten nu vast.”
“Hopelijk blijft Mustafa buiten schot”, antwoord ik. “Ah, maak je over hem niet ongerust. Hij heeft 8000 Mark gekregen van de Duitsers en is daarna direct met zijn familie naar Turkije op vakantie gegaan.
Mijn informant krijgt problemen….
Er gaan een aantal weken overheen wanneer op een avond Mustafa zich weer telefonisch bij mij thuis meldt. “Henk luister. Ik ben terug van vakantie en nu doet die man uit Deventer moeilijk. Hij denkt ze zijn verraden en zoeken dader”. “Heeft hij jou er direct op aangesproken?” Deze vraag kan ik er moeilijk doorkrijgen omdat Mustafa maar door blijft praten. “Mustafa stil! Luister goed. Ben jij beschuldigd?” “Nou hebben wel gevraagd naar disco-eigenaar en kennis in Duitsland en waar ik was”, antwoordt hij. “Luister. Ten eerste vind ik het oerstom dat je direct nadat je geld hebt gekregen, op vakantie bent gegaan. Daar kunnen ze al alles van denken. Er is maar één oplossing voor jou!” Mustafa is nu rustig en vraagt: “En dat is?” Je moet zelf in de aanval gaan en zeggen dat je gehoord hebt dat de hasj werd vervoerd in een oude Opel Ascona met gladde banden en daarom zijn ze aangehouden. Je moet hen dan onder de neus wrijven: “Hoe kunnen jullie zo’n partij met zo’n wrak op weg sturen”. Als ze vragen hoe jij weet dat het een oude auto was, moet jij zeggen dat daar een klein artikel in de Duitse krant heeft gestaan en dat die kennis van jou dit aan jou telefonisch door heeft gegeven. Voor de zekerheid is ons contact voorlopig stil. Niemand mag weten dat jij voor de politie hebt gewerkt, want dan is jou leven en jou familie niet meer zeker!”
Kennelijk is Mustafa nu sterk onder de indruk en zegt toe zo te handelen, zoals ik aangegeven heb.
Na ongeveer een week belt Mustafa op en zegt dat hij weer gebeld werd en dat hij ze de kast uitgekeerd heeft. De anderen boden Mustafa excuses aan en zeiden dat zij hem niet beschuldigden. Tevens gaf Mustafa aan dat hij te kennen had gegeven geen zaken meer met hen te willen doen, omdat hij dat voor hem veel te gevaarlijk vond. Hij wilde niet met de politie in contact komen. “Goed gesproken Mustafa. Ik bedank je voor je diensten en wie weet wat er later nog eens van komt. Maar voorlopig dit niet meer. Het ga je goed!”
We krijgen een afdelingschef ……
Dat adjudant Nicols ook niet stil heeft gezeten blijkt ons korte tijd later wanneer wij te horen krijgen dat een brigadier onze groep gaat versterken. Het is dan ergens in het jaar 1979. Direct denk ik dat de rechercheleiding mogelijk al heeft gezien dat onze afdeling sturing nodig heeft. Omdat onze kamer te klein is voor vijf personen, krijgen we een kamer, buiten het politiebureau, in de oude villa van mevrouw Van Gelder, aan de Nijverheidstraat te Enschede.
Zonder dat wij daar invloed op uit kunnen oefenen krijgen wij een brigadier toegewezen. Dit is Kris Oldenhof. Bij de inrichting van de nieuwe ruime kamer, in het antieke gebouw, ontstaan al de eerste wrijvingen met Kris.
Wij hadden de bureaus, zoals wij dat uit de vorige kamer gewend waren, in dezelfde blokvorm in de kamer geplaatst. Kris was daar niet bij aanwezig. Het bureau van Kris plaatsten wij aan de kop van dit blok, tegen onze bureaus. Het zag er als één geheel uit.
Dan komt Kris binnen, kijkt naar de bureaus en zegt: “Maar zo wil ik niet zitten. Er moet onderscheid zijn tussen jullie en mij. Ik ben jullie brigadier. Ik wil mijn bureau in die hoek hebben en van daaruit kan ik jullie goed overzien.”
Ik was vanuit mijn militaire loopbaan wel wat gewend en stoor mij niet aan die woorden, maar ik zie Jan hevig verschieten, waarna hij zegt: “Als je het zo wilt hebben prima. Dan zetten we jou bureau daar neer waar jij het hebben wilt!”
Nadat Kris een uurtje later de kamer heeft verlaten, laat Jan zijn emoties tegenover ons de vrije loop. “Hoorden jullie dat? Wat een Kerel! Voelt hij zich soms meer dan ons? Dat is een begin!?” Kees en ik praten wat op Jan in met woorden “stoor je er niet aan. Laat hem doen wat hij wil”. Maar vanaf het eerste begin gaat het niet zo zoals het had moeten zijn.
De eerste drugszaak onder leiding van Kris…
Een paar dagen later, zitten we in onze kamer. Ondertussen hebben we deze al aardig ingericht. Dan komt Kris binnen en gaat achter zijn, in de hoek geplaatste, bureau zitten. Hij kijkt ons één voor één aan en zegt vervolgens: “Zo, eens kijken. Ik wil succes hebben en wel heel snel. Ik ben al in contact met een informant, die probeert in de binnenstad een partij hasj los te peuteren.” “Wie is die informant?” vragen wij hem. “Dat gaat jullie niets aan. Het is mijn informant”. Antwoordt Kris. “Is hij wel betrouwbaar?” vragen wij. “Zeker! Ik heb met hem een aantal fraudezaken gedaan en hij heeft mij toen belangrijke informatie gegeven en daardoor zijn de daders mooi op het rek gegaan”, antwoordt Kris. Jan: “Maar fraudezaken zijn iets heel anders dan drugszaken”, waarna Kris kennelijk geërgerd kort antwoordt: “Maak jij je daar nu maar niet ongerust over. Dat komt wel goed!”
We zwijgen verder en wachten af wat er gaat gebeuren. Na een paar weken komt Kris met nieuwe informatie: “Jongens luister eens. Mijn informant heeft beet. Hij heeft iemand die 50 kilo hasj kan leveren, of misschien nog wel meer. Ik heb de observatie al gewaarschuwd en als mijn informant contact opneemt met de leverancier, wordt deze gevolgd en later, wanneer hij de hasj transporteert, aangehouden. We vragen Kris wie de leverancier is. Kris: “Dat kan ik je wel vertellen dat is Rudi Geelen”.
Ik schrik me een hoedje, wanneer ik deze naam hoor. Die ken ik, deze Rudi. Hij logeert bij een nicht van mij. Zij heeft mij verteld dat Rudi een kunstenaar is, sinds kort gescheiden en geen cent op zak. Hij leeft op de kosten van mijn nicht. Ik heb zelf met hem, in de binnenstad van Enschede één of twee keer contact gehad. Dat was in café Charly. Een heel aardige jongen. Rookt af en toe een jointje. Aan z´n uiterlijk kun je zien dat hij arm is. Heeft een oude fiets en draagt oude kleding.
Ik weet bijna honderd procent zeker dat Rudi geen drugshandelaar is, maar ik laat mij er niet over uit dat ik hem ken. Wie weet wat dat voor mij zou betekenen. Toch gaan de radertjes in mijn hoofd extra snel draaien. Ik praat er thuis met Miranda over, want ook zij kent hem en ook zij is ervan overtuigd dat Rudi geen drugshandelaar is.
Dan komt de dag dat het zover is. Kris heeft de hele actie op poten gezet. De observatie ingeschakeld. Vanmiddag zal de informant contact zoeken met Rudi. Geld ligt in een kluis van een bank en kan aan Rudi getoond worden als dat zou moeten. Ik blijf binnen en onderhoud de verbindingen met de observatie en om hand en spandiensten te verrichten. Ik hoor dat de informant in beeld komt en op weg gaat naar café Charly. Al snel krijg ik van Jan bericht: “Henk, weet je wie die informant is? Dat is van Cootwijk. Ik had het al gedacht dat het die man moest zijn. Een grote oplichter en fraudeur. Dus hoogst onbetrouwbaar!” “Pas dan maar goed op het geld in de kluis!” Antwoord ik.
Via de verbindingen hoor ik dat Van Cootwijk, café Charly binnen gaat en korte tijd later met Rudi naar buiten komt. Op straat staat Rudi hevig met zijn armen te bewegen en wil daarna weer het café binnen gaan. Van Cootwijk houdt hem tegen en praat nog wat met hem. Dan vertrekken ze in de auto van Van Cootwijk, rijden naar de bank waar het toongeld ligt en gaan naar binnen. Daar krijgt Rudi het geld te zien. Als beide mannen weer uit de bank komen, gaat Van Cootwijk z’n eigen weg en Rudi blijft nog even staan. Te voet gaat hij de binnenstad in en kleppert verschillende cafés af. Café in en café uit, alsof hij wat zoekt.
Dan krijgen we bericht van onze brigadier Kris: “Jongens luister. Ik heb contact gehad met de informant en die heeft mij gezegd dat Rudi op weg is om de drugs te regelen. Dus het loopt op rolletjes!” Intussen wordt door de observatie gezien dat Rudi, na vele kroegjes bezocht te hebben, uiteindelijk weer bij café Charly komt, bij z’n oude fiets blijft staan, zich even op het hoofd krabt en dan op zijn fiets springt. Tot verbazing van de observanten, arriveert hij uiteindelijk weer bij de bank en gaat naar binnen. Na enige minuten komt hij weer naar buiten en rijdt terug naar café Charly en gaat daar naar binnen.
Daarna is er een observant de bank binnen gegaan en heeft zich daar als politieman kenbaar gemaakt en de vraag gesteld wat die man zojuist kwam doen. “Hij probeerde het geld in de kluis mee te krijgen. Volgens zijn zeggen was hij de eigenaar. Uiteraard heeft hij niets meegekregen.”, was het antwoord.
Als ik dat hoor is het mij ook duidelijk dat Rudi geen drugshandelaar is en niet kan leveren. Hij is lekker gemaakt door aan hem een hoop geld te tonen en omdat hij in geldnood zit kan hij de verleiding niet weerstaan om mensen in het drugsmilieu, die hij beslist zal kennen, aan te klampen voor een levering hasj van grote omvang.
Als ik dat voor mij op een rij zet, wordt ik ontzettend kwaad op Kris. Is dat de manier waarop wij succes moeten hebben. Daar wil ik niet aan meedoen. Dat is pure uitlokking. Ik verlies op dat moment alle respect voor deze chef. Ik kan niets tegen hem zeggen, omdat ik enige zaken tegenover hem en mijn collega’s heb verzwegen.
Kort daarop laat Jan zich toch tegenover Kris over deze zaak uit: “Kris, dat was niet een zaak zoals het hoorde. Je hebt alles alleen geregeld, niemand van ons er bij betrokken en moet je zien wat het is geworden!”. Kris antwoordt hierop: “Ik ben de brigadier, jullie chef en ik maak uit hoe de zaken gaan. Dat wordt van mij verwacht en ik word daar op afgerekend. Punt uit”.
“Oh” denk ik, “zo iemand is het dus. Het gaat alleen om de zaak, hoe die wordt opgelost maakt niet uit!”
Meer problemen met de afdelingschef.
Wij draaiden om de week een bereikbaarheidsdienst, in het bijzonder voor de weekenden. Geen betalingen. Je deed het voor de zaak. Op een bepaald weekend was ik weer aan de beurt. Je houdt dan met alles rekening. Je gaat niet weg, drinkt geen of héél weinig alcohol, want je kunt nooit weten. De telefoon kan zo gaan. Dan is het weer maandagochtend. Er is niets gebeurd, een rustig weekend gehad. Die maandagochtend rijd ik met de dienstauto naar de Nijverheidstraat, ga onze kamer binnen en zeg tegen de daar reeds aanwezige Karel en Jan: “Zo dat was gelukkig een rustig weekendje. Er is niets gebeurd”.
Kort daarop komt onze chef Kris binnen: “Zo, dat was me wel weer het weekendje. Een hoop overuren gemaakt. Er zou een deal plaatsvinden. Ik heb dat geobserveerd, maar uiteindelijk is er niets gebeurd. Maar je bent wel weer een hele avond kwijt”. Ik kijk Kris verbaasd aan en zeg: “Maar Kris, ik heb het hele weekend bij de telefoon gezeten, kon nergens naar toe. Ik heb geen telefoontje van jou gehad”. Kris: “Ja, dat begrijp ik wel, maar ik kreeg een telefoontje en ik kon jou daar niet zo snel voor aan het bureau krijgen”. “Heb je de klus helemaal alleen gedaan? En hoe ben je daar gekomen?” vraag ik. “Nou gewoon met mijn eigen auto”, antwoordt Kris. “Doe je zoiets helemaal alleen?” vraag ik. “Nou ja, eh, ik heb Liesbeth van de administratie meegenomen, een paartje in de auto valt minder op”, krijg ik van Kris als antwoord. Ik stop met vragen stellen. Jan, Kees en ik kijken elkaar aan en er valt een stilte. Kris zit achter zijn bureau, doet voorkomen alsof hij op z’n gemak zit, maar toch is er iets, dat hij niet heeft verteld.
Enige dagen later, komen wij vanaf de Universiteit, waar wij de verplichte dienstsport hadden uitgeoefend, terug in een politiebusje richting de binnenstad. Ook de eerder genoemde Liesbeth heeft gesport en zit bij ons in het busje. Jan: “Ben jij laatst met Kris op pad geweest?” “Ja, Kris belde me op dat hij me nodig had voor een zaak, of ik met hem mee kon gaan ergens observeren. Kris kwam me thuis ophalen”, is het antwoord van Liesbeth.
“Wat hebben jullie dan gedaan?” vraagt Jan op een meer doordringende toon. “Gewoon geobserveerd”, antwoordt Liesbeth. Jan met een strenge stem: “Alleen geobserveerd? Jullie zijn met elkaar naar bed geweest, na die tijd!” Jan was nog niet uitgesproken of Liesbeth antwoordt: “Nee, nee, we hebben alleen maar gevrijd!”
Er valt een stilte. Voor ons een verrassing dit te horen en voor Liesbeth kennelijk een teleurstelling dat zij dit er uit gegooid had.
De Kokerjuffer……
Het is in het jaar 1980, de periode dat het jongerencentrum “De Kokerjuffer” in opspraak begint te komen, omdat zij daar min of meer openlijk softdrugs, in kleine hoeveelheden zouden verkopen. Volgens hun zeggen alleen aan de leden. Deze drugs zouden verkocht worden door één van de leden die de functie “huisdealer” meekreeg.
Deze actie is duidelijk politiek bedoeld en er wordt in het bijzonder door de leiding van het jongerencentrum zelf ruchtbaarheid aan gegeven. De korpsleiding en justitie, alsmede de burgemeester, weten eigenlijk niet wat ze moeten doen. Ik de gemeenteraad, zijn leden die voor legalisatie zijn en de discussies lopen vaak hoog op. Het bestuur van de Kokerjuffer maakt daar dankbaar gebruik van.
Uiteindelijk wil de Korpsleiding weten hoeveel mensen, na deze publiciteit op de Kokerjuffer afkomen en wat zij moeten doen als dit helemaal uit de hand zou lopen. Kris krijgt als chef van onze afdeling de opdracht om te observeren hoeveel mensen bij de Kokerjuffer naar binnen gaan. Het is een enorm lastig punt, gelegen aan de Noorderhagen, waar een parkeerverbod geldt en de plaatsen waar je mag parkeren, staan altijd vol. Dus Jan, Karel en ik komen tot de conclusie dat het bijna onmogelijk is om zicht te krijgen op de ingang en laten dit aan Kris weten. Kris zegt dan dat wij niet zo zwart wit moeten denken en een oplossing moeten vinden. Er is volgens hem altijd en overal een oplossing voor te vinden. “Ik zal het wel voor jullie in orde maken. Jullie horen wel als het zover is!”. Met deze woorden verlaat hij de kamer. Diezelfde middag komt Kris weer binnen en zegt: “Het is al geregeld. De bus, van waaruit je kunt observeren, is voor de Kokerjuffer in stelling gebracht. Je kunt er zo inspringen, maar pas op dat niemand je ziet wanneer je naar binnen gaat! Hier is de sleutel”. Kris overhandigt ons de sleutel van een observatiebus. Jan en ik besluiten als eersten onze post in te gaan nemen en gaan te voet richting Noorderhagen. We kunnen ons geen voorstelling maken hoe en waar wij de bus aanzullen treffen. Uiteindelijk daar aangekomen, staat de bus, in de bocht van de Noorderhagen met de weg richting de sociale dienst, ongeveer 25 meter verwijderd van de ingang van de Kokerjuffer, waar het een komen en gaan is van jonge mensen. Op een afstand zien we al dat op de bus een wit A-viertje hangt. Dichterbij gekomen kunnen we lezen wat er op staat: “Pas op, dit is een politiebus!”. We zijn de auto voorbij gelopen en via een omweg weer terug gelopen naar onze afdeling. Kris kijkt ons verbaasd aan. Jan: “Als je graag observeren wilt doe het dan zelf maar. Er hangt een papier op waarop geschreven is, dat dit een politievoertuig is!” Kris heel verbaasd reagerend: “Hoe kan dat nou. Ik heb hem zo onopvallend mogelijk weggezet!”
We maken er geen woorden meer aan vuil en zeggen tegen Kris, dat wanneer hij de bus terug wil hebben, hij deze maar op moet halen, omdat wij dat weigeren. Kris explodeert bijna van woede en neemt de sleutels over van Jan, gaat de kamer uit met de woorden: “Daar zijn jullie nog niet klaar mee. Dit laat ik zomaar niet over mij gaan!”
Aan de Kokerjuffer wordt voorlopig niets meer gedaan.
De recherche krijgt een nieuwe afdelingschef…
Omstreeks die tijd komt er een jonge inspecteur, genaamd Ingo Faassen bij de afdeling recherche. Alhoewel hij niet onze chef is blijkt hij vooral geïnteresseerd te zijn in de afdeling verdovende middelen. Wij hebben wel een inspecteur, die onder meer de verantwoordelijkheid heeft voor onze afdeling, zijnde de inspecteur IJbenga, maar die zien we nooit. Ingo, die een oer Tukker is, spreekt zijn streektaal ook als hij bij ons op de afdeling is. Je zou niet denken dat het een inspecteur is, temeer omdat hij zeer nauwe contacten heeft met sommige mensen van het criminele milieu. Dat wil niet zeggen dat hij onbetrouwbaar is of zo, maar voor een inspecteur is dat ons inziens heel bijzonder. Hij komt bij ons in ieder geval heel open en eerlijk over.
Hasjtransport……….
Op een goede dag komt Ingo bij ons de kamer binnen en kijkt in het rond. Alleen Jan, Karel en ik zijn daar aanwezig. Hij sluit de deur van de kamer en neemt plaats aan één van de bureaus.
”Jongens luister. Als het waar is, heb ik een prachtige zaak voor jullie. Een hele grote. Kennen jullie Lucas Thomassen?” Ik ontken, maar Karel en Jan knikken bevestigend: “Ja, die ken ik vanuit de binnenstad. Een vreemde vogel”, zegt Jan. Ingo vervolgt: “Ik ben benaderd door de vrouw van deze Lucas. Ik ken haar nog van vroeger en om de één of andere reden vond zij het nodig mij in vertrouwen te nemen. Haar man, dus Lucas, is vrachtwagenchauffeur. Zij vertelde mij dat haar man op dit moment onderweg is richting Syrië, om daar 2 ton hasj op te halen”. Dit horende gaat er een enorm opgewonden gevoel door mij heen en zeker ook bij Jan en Kees. Dat is pas een zaak!…Even vergeet ik verder te luisteren naar Ingo. Hij vervolgt: “Hij komt niet zomaar over de grens. Dat zou te link zijn. Bij de grensovergang De Lutte, is een douaneambtenaar die omgekocht is. Op het moment dat die man dienst heeft, zal hij de grens met zijn vrachtwagen passeren.” “Weet je waar hij op dit moment is en wat zijn route terug zal zijn? Vraag ik. “Nee, ik kan je op dit moment daar geen nadere informatie over geven, maar volgens mij gaat hij gewoon over de grens bij Istanbul en dan via Oostenrijk naar Nederland. Maar dat is niet zeker. Ik ga proberen meer te weten te komen.” Probeer er ook eens achter te komen waarom zij haar man op wil hangen met deze zaak”, zegt Jan.
Karel: “Moeten wij haar telefoon niet afluisteren. Hij kan naar huis bellen en mogelijk informatie geven waar hij op dat moment is. Alleen mag zij dat natuurlijk niet horen. Dan weten we tevens of zij de waarheid vertelt en ons niet op de één of andere manier voor de gek houdt.”
Ingo: “Ik zal het met de officier bespreken. Jullie horen nog”.
Enige dagen later komt Ingo weer op de afdeling. Kris is er dit keer ook bij, alsmede de bijna vergeten Ido Middelkoop, de oude drugsrechercheur.
”Jongens luister”, zegt Ingo, “De telefoon kan worden getapt, maar dan alleen voor gesprekken die van belang zijn voor deze zaak. Dus gesprekken tussen Lucas en zijn vrouw. Zodra wij weten dat hij op de terugweg is eh….hoe lang zal hij rijden vanaf Syrië?”.
Na wat heen en weer gepraat komen wij op een dag of vier tot vijf.
”Dan moeten we weten wanneer die bedoelde douaneambtenaar dienst heeft en wij zullen met twee man gedurende zijn diensttijd in de buurt van de grensovergang zijn om deze te observeren. Dan kan er niets misgaan”, aldus Ingo
Dan wordt de telefoontap aangesloten en luisteren we naar de gesprekken. Dan blijkt er, zonder dat er namen worden de genoemd, tussen de vrouw van Lucas en een onbekende man gesproken wordt. Aan de gesprekken is op te maken dat die twee een relatie met elkaar hebben. Er wordt soms zeer zacht gefluisterd. Al snel maken we op dat die mannenstem niet van Lucas is maar van een andere man. Bij ons gaat een lichtje branden. De vrouw geeft haar man aan om van hem af te komen, want zij maakt onder andere plannen om met dat vriendje, die kennelijk ook getrouwd is, een nieuw leven te beginnen en wel in een ander land.
Tot onze schrik komen we er achter dat dit vriendje iemand is die bij de Koninklijke Marechaussee dienst doet. Heeft hij iets met dat transport te maken? Het kan toch niet zo zijn dat Lucas voor eigen rekening 2 ton hash ophaalt. Het gaat om een bedrag van minstens 2 miljoen gulden.
We komen daar niet verder uit. We kennen de vrachtwagen niet, wie de opdrachtgevers zijn weten we niet. Eigenlijk weten we maar heel weinig van deze zaak.
Dan komt er bericht dat niet via de telefoontap is gekomen, dat Lucas met zijn vrachtwagen onderweg is naar Nederland. Vanaf die dag zitten we dagelijks bij de grens. Uiteindelijk gaat dit opvallen. Een uurtje in het chauffeurscafé. Een rondje lopen, een tijdje in de auto zitten. Om zo acht uren vol te maken, valt niet mee. Wanneer het donker is hebben wij de beste mogelijkheden. Dan rijden ook de bloemenwagens vanuit Nederland, Duitsland in. Geregeld worden er vrachtauto’s gecontroleerd. De deuren van de wagens gaan open, dozen gaan er uit en verdwijnen achter het kantoortje van de Duitse douane. Toch wel nieuwsgierig geworden, loop ik in mijn eentje, onopvallend achter een Duitse douanebeambte aan die zojuist weer een paar dozen in ontvangst heeft genomen. Daar zie ik onder andere een grote Opel Record stationcar staan, die nokvol gepakt is met genoemde bloemendozen……
Op een avond staan Jan en ik weer bij de grens. Jan zegt dat hij even naar de afdeling belt om te vragen of er nog nieuws is. Na het telefoontje gepleegd te hebben, komt hij bij mij terug. Een beetje verbaasd kijkend, zegt hij: “We moeten terug komen.” “Waarom?” vraag ik, “weet ik niet, dat horen we op de kamer”.
We stappen in de auto en rijden zo snel als mogelijk is naar Enschede. Op de kamer gekomen, zitten daar Karel, inspecteur Ingo Faassen, die de zaak aanhangig had gemaakt, de oude Ido én de inspecteur Ybenga, die wij voordien nooit gezien hadden bij besprekingen betreffende deze zaak. IJbenga doet het woord: “Via Interpol hebben we doorgekregen dat gisteravond, in Brindisi, dat is in Zuid Italië, Lucas Thomassen is aangehouden, omdat er in zijn vrachtauto een grote hoeveelheid hasj is aangetroffen en wel in een geheime ruimte voor in de oplegger. Om de zaak op te kunnen lossen, zit er niets anders op dan dat wij naar Brindisi gaan.
We willen Lucas verhoren en vragen stellen over de herkomst van de partij hasj en informatie inwinnen over zijn eventuele opdrachtgevers.”
Ingo neemt het woord en zegt: “Ik stel voor dat ik er heen ga met iemand van de afdeling”. Ingo is nog niet uitgesproken of Ybenga valt hem al in de rede: “Jij gaat daar niet naar toe. Je hebt niets met deze afdeling te maken, dus ik ga!” “Luister eens, al die tijd heb je niets van je laten horen en de afdeling aan laten modderen. De jongens stonden dagelijks acht uur aan de grens en nu is er een reisje te vergeven en dan kom jij opdagen!”, is het antwoord van Ingo, die tijdens dit praten langzaam rood aanloopt van kwaadheid. “Dat zullen wij nog wel eens zien!” Zegt Ybenga. “Ik zoek het hoger op daar ben je nog niet klaar mee!”. Terwijl hij dit uitspreekt, staat hij op en loopt de kamer uit. Dat hebben we nog nooit meegemaakt, twee inspecteurs, die in het bijzijn van hun personeel openlijk ruzie maken. Al gauw hebben Kees, Jan en ik een besluit genomen en dat is: “Geen van ons gaat met Ybenga mee naar Italië!”. Ingo zegt dan: “Hij kan me wat. Ik ga dan ook niet meer. Hij zoekt het maar uit. Ik geef hem ook geen informatie!”.
De volgende dag komt Ybenga weer op de afdeling en zegt: “Zo ik ga en één van jullie kan mee. Wie dat is, moeten jullie zelf uitmaken. Ondertussen hadden wij al een besluit genomen. Ido, die met de zaak wel niet meegedaan had, maar die vlak voor zijn pensioen staat, zal meegaan als meewerkend rechercheur.
Horen van de verdachte in Brindisi (Italië).
Enige dagen later rijd ik, Ido en Ybenga naar het vliegveld Schiphol. Het is op een woensdag. Ze hebben een rogatoire commissie bij zich waarin schriftelijk verzoek wordt gedaan om Lucas Thomassen te horen. Onderweg naar het vliegveld zegt Ybenga: “Er kan gebeuren wat er gebeurt. Uiterlijk zaterdag ben ik weer thuis, want dan is mijn dochter jarig.”
Ik denk bij mijzelf: “Wat een instelling heeft die man. Hij heeft aan de zaak niets gedaan. Wij hebben dagen staan posten. Ingo informeerde dagelijks hoe het ging en nou is de verjaardag van zijn dochter belangrijker dan de hele zaak!”
Inderdaad zijn Ybenga en Ido, vrijdagavond al weer terug in Nederland. Die maandag horen wij van Ido hoe het gegaan is:
Ido: “Het was een probleem. We hadden veel moeilijkheden en voor wij hem konden horen was het al donderdag en bij het verhoor zaten er constant Italianen bij, en alles met een tolk. We kregen de indruk dat hij niets wilde zeggen, omdat hij bang was voor de Italiaanse politie. Dus hij heeft zijn opdrachtgevers niet aan ons genoemd en zegt dat hij het alleen heeft georganiseerd. Hij verklaarde alleen dat hij de hasj in de stad Aleppo in Syrië, aan boord heeft gekregen. Hij moest zijn vrachtwagen een dag of drie afstaan. Toen hij de vrachtwagen terugkreeg, werd hem niet verteld hoeveel er in zat en waar het verborgen was. Hij blijft in Italië vastzitten en komt daar voor het gerecht.”
We zijn ontevreden over het resultaat, maar nemen het onze Ido niet kwalijk. Ybenga met zijn haast en ongeïnteresseerde instelling is schuld van dit slechte resultaat.
Collega´s uit Utrecht….
Een paar dagen later gaat bij ons op de afdeling de telefoon. “Er staan collega’s uit Utrecht bij de receptie”. Ik haal de collega’s op en meteen beginnen ze met een aantal vragen en verwijten. Of wij Lucas Thomassen gehoord hebben in Italië, waarom wij er geen fax uit hebben gedaan voor meer informatie, mogen wij het proces-verbaal van verhoor lezen. Nadat zij dit proces-verbaal, bestaande uit drie A 4tjes gelezen hadden zegt de lezer: “Dat is prulwerk. Er staat niets in over een leverancier. Vertel ons niet dat je er niet meer uit kon krijgen! Wij zijn bezig met het onderzoek van een groot transportbedrijf, dat zich bezig houdt met deze praktijken en hoogstwaarschijnlijk werkte Lucas voor deze mensen. In ieder geval zullen wij laten zien dat het ons wél lukt. Morgen gaan we er naar toe, we hebben de vlucht naar Rome al geboekt en van daaruit rijden we naar Brindisi. Dat is wel een behoorlijk stuk rijden maar het is niet anders. De Rogatoire commissie wordt ons nagestuurd!”
De collega’s vertrekken weer richting Utrecht.
Er gaat ongeveer een week overheen, wanneer wij bericht uit Utrecht krijgen. Ze hebben net zo lang aangedrongen bij de instanties in Italië, dat zij uiteindelijk alleen met Lucas mochten praten. In totaal hebben zij hem 4 dagen verhoord. Toen de collega’s weer richting Nederland gingen, hadden zij verklaringen van Lucas, die voldoende waren om een inval bij dit transportbedrijf te doen en daders te arresteren.
Ik krijg dan toch wel een rot gevoel en voel me eigenlijk een soort mislukkeling. Op de afdeling werd er niet meer over gesproken. We hadden genoeg problemen met onze Kris.
Hoe is het verder afgelopen met Lucas? Hij heeft een aantal jaren in Italië vast gezeten. Op het laatst zat het in een gevangenis in het noorden van Italië en wist daar te ontsnappen (of heeft men hem laten ontsnappen?) Eind tachtiger jaren werd hij aangehouden i.v.m. de moord c.q. doodslag op een inwoner uit Enschedese. Sinds 1 januari 1995 is hij spoorloos verdwenen en kort voor zijn verdwijning het laatst in Breda gezien..
Het is dan hartje zomer 1978, wanneer Mustafa mij op een dag belt en zegt: “Henk luister. Hebben jullie belang bij grote partij hasj?” “Hoeveel”, vraag ik. “Zoveel als jij hebben wilt”, is zijn antwoordt. Ondanks dat ik geen enkele routine in drugszaken heb, had ik door mijn cursus, verdovende middelen, die ik inmiddels al wel op de rechercheschool gevolgd had, geleerd dat wanneer er een zaak wordt opgestart, een monster van de partij wordt gevraagd. “Vraag maar een monster, dan kijken we wel verder”, zeg ik tegen Mustafa. “Isj goed” antwoordt Mustafa wederom in gebrekkig Nederlands. Je moest hem echt leren verstaan. Bij een eerste ontmoeting versta je er niets van omdat de zinsopbouw omgekeerd is en woorden anders gezegd dan bedoeld worden.
Deze informatie geef ik de daarop volgende ochtend door aan Henk en Jan. Jan: “Het zal wel niets worden, maar is prima. We wachten wel af”.
Drie dagen later belt Mustafa mij opnieuw en zegt dat hij een monster heeft gekregen en maakt met mij een afspraak bij zijn werk in Borne, alwaar hij stukadoorswerkzaamheden verricht Wanneer ik een kwartiertje op de afgesproken parkeerplaats in de auto heb gewacht, zie ik Mustafa aankomen, in zijn witte schilders overall. Voor hij instapt, gooit hij een in jutte verpakt stuk hasj op mijn schoot en neemt dan plaats in de auto. “Mustafa kijkt me aan en zegt: “En nou? Wat gebeurt? Wat jij doen gaan?” Ik ben onder de indruk van de grootte van het monster, een plak van minstens 250 gram en daarom weet ik op dat moment ook dat er iets te gebeuren staat. Iets wat ik nog nooit bij de hakken gehad heb. “Ik neem het mee en ik moet overleggen hoe het nu verder moet. Je hoort van mij!” “Niet lang wacht, want mensen wachten op beslissing!” is het antwoord van Mustafa. “Ik doe mijn best!” zeg ik, niet wetende wat het zal gaan worden.