Deel 3. 

Motie van wantrouwen tegen Kris……

Op een dag vinden Jan en Karel het genoeg. Na weer een aantal merkwaardige voorvallen, in het bijzonder een voorval waarbij de overigens zo rustige Ido, het niet meer kon verkroppen en tegen Kris zei: “Jij? Jij maakt de hele afdeling kapot. Alles wat ik heb opgebouwd, maak jij kapot!” Tijdens deze woorden zie ik een oude man, in tranen uitbarstend, snikkend in zijn stoel terugvallend en met zijn rechterhand naar zijn hoofd grijpen. Dit beeld wekt in mij gemengde gevoelens op. Ten eerste denk ik wat een emotie er plotseling bij die man naar boven komt. Ik heb medelijden met hem. Aan de andere kant denk ik, dat hij ook wel eens eerder zijn mond open had kunnen doen om zijn mening te zeggen. Ido meldt zich kort daarop ziek en komt ook niet weer in dienst. Hij heeft problemen met zijn hart en komt niet lang daarna aan de gevolgen van deze kwaal te overlijden.

Jan en Karel stellen voor om een motie van wantrouwen in te dienen bij de hoofd - commissaris Arends, contra onze brigadier Kris. Ik ben het er mee eens en sluit mij hierbij aan. Dat ik het daar mee eens ben is meer uit solidariteit. Of ik zelf zoiets zou doen betwijfel ik. Misschien zit er nog wel teveel marinier in mij, waar ik geleerd heb om het op z´n Twents te zeggen “swieg´n en jòh knik´n”. De drijvende kracht was Jan. Je kon de laatste tijd zien dat hij zich letterlijk aan het opvreten was. “Jan, rustig!” Zeiden Karel en ik vaak tegen hem.

Dan komt de dag dat wij bij de hoofdcommissaris moeten verschijnen. Eén voor één worden wij door hem gehoord. Ik vertel hem eerlijk wat ik met de brigadier heb meegemaakt. Heel rustig luisterend en vragend, krijgt Arends het hele verhaal te horen. Uit niets blijkt dat hij ons verhaal niet gelooft en we hebben alle drie een goed gevoel dat er maatregelen genomen zullen worden om een betere atmosfeer op de afdeling te krijgen. Ook Kris moet komen en zal zijn verhaal hebben gedaan. Na die dag ontstaat er eigenlijk een rot situatie op de afdeling. Er is eigenlijk niets meer aan om daar dagelijks te werken.

Ik probeer er verder niet zoveel meer over na te denken. Wij hebben een interne zaak aanhangig gemaakt, omdat het op een andere wijze niet meer ging. Dit is voor mij eigenlijk de eerste keer in mijn leven dat ik zoiets doe. Bij de mariniers noem je dat “maten naaien”. Maar ik heb niet het gevoel dat Kris mijn maat is. De laatste keer dat ik met hem in aanvaring kwam is nog niet zo lang geleden. Deze aanvaring vertelde ik in ieder geval niet aan de hoofdcommissaris, omdat ik daar ook direct of indirect Karel en Jan bij zou betrekken.

Discussie over arbeidstijden met Kris….
Deze aanvaring ontstond toen Kris tegen mij zei: “Ik wil dat je tot vijf uur werkt in plaats van tot half vijf”. Ik antwoordde: “Moet ik dan ’s morgen om half negen beginnen? Dan mis ik de ochtendbespreking bij de recherche!” “Nee, je komt gewoon om acht uur!” Zei Kris op een beetje irriterende toon. “Dan maak ik overuren” antwoordde ik. “Je doet maar net als wij en je neemt tussen de middag een uur pauze in plaats van een half uur!”, waarbij Kris een beetje rood aanliep en zijn ogen doelloos door de kamer liet gaan, kennelijk zonder iets te zien en alleen geconcentreerd was op de woorden die hij uitsprak, omdat hij kennelijk deze weerstand niet had verwacht. Ik kan me dan ook niet meer inhouden en zeg hem de waarheid: “Jullie gaan met z’n drieën, (daar bedoelde ik Kris, Jan en Karel mee) tussen de middag naar huis om te eten. Jullie brengen elkaar weg en halen elkaar weer op. Dan wil ik ook dat jullie mij naar huis brengen!” antwoord ik. De irritatie is hem nu nog duidelijker aan te zien en hij antwoordt: “Daar is geen sprake van! Jij woont aan de andere kant van de stad. Dan moeten wij veel te veel omrijden!”

Ik zeg: “Jij woont in Haaksbergen en Kees en Jan in Hengelo en dat is dan niet omrijden?”

-Ik had hier al langer mijn gedachten over gehad. Tien kilometer naar Haaksbergen, dan tien naar Hengelo en vervolgens acht kilometer weer naar het politiebureau. Dat is achtentwintig kilometer, maal twee, is 56 kilometer, in een uur rijden en dan ook nog eten, dat kon niet en vaak kwamen ze dan ook een half uur- tot een uur later terug. Maar zal dat controleren? Niemand! Ik sprak er met niemand over en ga dat ook niet doen. Zo ga je niet met maten om. Ik wil geen “matennaaier” zijn. Ik dacht: “Ze doen maar”-
Met deze beleving in mijn achterhoofd, diende ik Kris nog één maal van repliek: “Je kunt doen wat je wilt. Ik houd mijn diensttijden, fiets naar mijn werk, neem mijn boterhammetje mee. Als je het anders wilt hebben, zoek je het maar hoger op of je rapporteert mij maar!”
Na dit gezegd te hebben, viel er een stilte op de kamer. Er werd niet meer over gesproken en ik deed mijn diensttijden zoals ik die voordien ook gedaan had.

Het Salomonsoordeel…

Op een dag kom ik onze kamer binnen. Kris is niet aanwezig. Alleen Jan en Karel zijn er. Jan, kijkt enorm triest en begint te spreken: “Wij zijn zojuist bij de hoofd commissaris geweest en die heeft een oordeel uitgesproken. Iedereen op de afdeling wordt overgeplaatst. Ik zei tegen de hoofd commissaris: “Henk zit er nog niet zo lang. Hij heeft er niet zoveel mee te maken. Ik verzoek u hem op de afdeling te laten. Na even nagedacht te hebben antwoordde hij, dat dit in orde was. Dus jij mag als enige op de afdeling blijven!” “Dan ga ik ook!” zeg ik tegen Jan, “ik wil solidair blijven!”

Na een tijdje heen en weer gepraat te hebben zie ik in dat, of ik nu ga of niet, het niemand zal helpen en stem ik toe.
Alles gaat nu heel snel. Kris, Jan en Kees maken hun bureaus leeg en verdwijnen. Ze gaan als rechercheur bij de recherche werken.

Ik heb even tijd om over alles na te denken. Daar zit ik dan, als enig lid van de afdeling verdovende middelen, waar ik een paar zaken heb gehad, die mij niet kunnen inspireren. Ik had heel anders over dit werk gedacht. Veel meer betrokken bij dealers en gebruikers. Ondanks dat ik nu een anderhalf jaar op deze afdeling ben, weet ik niets over dealers en gebruikers in de stad en of er überhaupt dealers en gebruikers in de stad zijn!

 

De nieuwe DRUWA……
Eén of twee dagen later komen er drie mannen op de afdeling, die ik ken als “oude rotten” van de afdeling recherche. De brigadier Otto Niemeier en de hoofdagenten Bennie van der Zee en Ulli Thijssen.

Wat mij sympathiek overkomt is dat Otto mij direct vertelt hoe het gekomen is dat zij nu bij de afdeling verdovende middelen zijn aangesteld. Otto: “Ik moest bij de hoofd commissaris komen en die vertelde mij dat de mensen van de afdeling verdovende middelen waren overgeplaatst. Hij zei: “Jij bent daar nu als brigadier aangesteld en zoek bij de recherche, twee rechercheurs uit, waar jij mee door één deur kunt en die jij geschikt acht voor dat werk!”.

Ik maakte de hoofd commissaris duidelijk dat ik niets van verdovende middelen wist”. “Dat maakt niet uit” zei hij. Otto vroeg direct zijn vaste maat bij de recherche Ulli en tevens vroeg hij Bennie. Beiden gingen akkoord. Zij vonden het een nieuwe uitdaging.”

Vanaf de eerste dag zijn wij bezig gegaan alles op een rij te zetten. Onder andere onze administratie, waarbij ik hen uitleg gaf op welke wijze ik het kaartenbakje bij hou. Na een aantal dagen krijg ik echt het gevoel dat het wat kan worden. Een ongedwongen sfeer, de wil om samen te werken. Er worden grappen gemaakt en veel gepraat over hoe wij het werk het beste aan kunnen pakken. Het blijkt dat Bennie al eens een vuurwapenzaak heeft gedraaid en redelijk kennis van zaken heeft.

Ik ben wel de jongste van de groep, zo gemiddeld een jaar of zeven jonger.
 

Naar boven:

Volgende pagina:

Vorige pagina: